Gemiddelde leestijd: 16 min 

Als je hem op tv ziet, betekent dit miserie. En toch is Alain Remue ‘de aaibare flik’. Al 17 jaar geeft hij een gezicht en een stem aan de Cel Vermiste Personen in ons land. De zaak-Dutroux in 1996 veranderde zijn carrière. De dood vorig jaar van één van zijn mensen heeft hem emotioneel en vooral fysiek veranderd.

Want voor mij staat een kale Alain Remue.“Een lijk went, behalve een dood kind. Ik heb de ellende en de gruwel altijd een plaats kunnen geven”, zegt Remue. “Tot in januari 2011 Olivier, één van onze duikers, bij een zoekactie om het leven kwam. Veel mensen stellen zich de vraag of ik kanker heb. Neen. Vijf maanden na het dodelijk ongeval met Olivier is mijn haar uitgevallen. Het is dus geen medisch probleem, wel posttraumatische stress. Toen besefte ik: je bent niet van staal. Je hebt geen olifantenvel. Wat ik voordien wel dacht.”
An en Eefje, Julie en Melissa, Stacy en Nathalie, Annick Van Uytsel, … De Cel Vermiste Personen telt sinds haar oprichting in 1995 exact 20.008 dossiers. Ook al loopt niet elk dossier slecht af, de lijst met opmerkelijke verdwijningen is pijnlijk lang.

Wat was jouw eerste herinnering aan een vermiste persoon?
Alain Remue:
“Ik denk dat ik als kind nooit geconfronteerd geweest ben met het gegeven ‘vermiste persoon’. Voor mij is de term pas een begrip geworden toen ik in de Rijkswacht binnenging in september 1978. Het maakte deel uit van de opleiding. En het is mijn leven geworden 17 jaar geleden toen de Cel Vermiste Personen werd opgericht. Nu, ook voor 1995 waren er natuurlijk wel situaties die tot de verbeelding spraken: Nathalie Geijsbrechts in 1991 bijvoorbeeld. ‘Wat is er met dat meisje gebeurd? Wie zou haar meegenomen hebben?’ De klassieke vragen die zich iedereen zich stelde.”

In een andere tijdsgeest.
Remue:
“In een heel andere tijdsgeest. Weet je, er raakten elke dagen mensen vermist, toen evengoed als nu. Maar dat bewustzijn rond vermiste personen was er niet in die mate. Bij de BOB in Gent kregen we ook ooit wel eens te maken met een dossier rond een vermiste persoon. Maar dat was helemaal anders dan vandaag.”

Vanwaar die drang om bij de Rijkswacht te werken?
Remue:
“Ik heb tot de zomer van 1978 altijd op dezelfde school gezeten: het Paus Johannescollege in Merelbeke. Het was altijd mijn bedoeling om bruggen en tunnels te bouwen. Mijn papa werkte voor openbare werken, mijn grootvader was opzichter op werven. Ik herinner mij het graven van het kanaal de Ringvaart. Dat sprak enorm tot de verbeelding. Dàt ging het worden. Tot eind ’77, met een heel stom annonce’ke in het gele krantje van Touring Wegenhulp: een foto met een stuk tekst ‘rijkswachter gezocht’. Ik dacht: ‘Potverdomme, mja, de Rijkswacht…’ Links en rechts begon ik rond te vragen. Ik ben altijd bij de scouts geweest – de Graalridders in Merelbeke – en stond in de leiding. Erwin, één van de andere scoutsleiders, was ook rijkswachter. Ik heb toen domweg dat bonnetje van Touring Wegenhulp ingevuld en opgestuurd voor een informatiepakket. Drie dagen later kreeg ik het pakket: een blauw tijdschrift met een granaat in het voorste karton uitgesneden, en een gezicht van een zwaantje. Ik heb dat tijdschrift nog altijd liggen trouwens. In het voorjaar van ’78 besliste ik om rijkswachter te worden. Ik was geslaagd voor alle testen en mocht beginnen op 27 september 1978 in de Rijkswachtkazerne van Sint-Denijs-Westrem. Ik werd nadien instructeur in Etterbeek en mijn specialiteit was ‘handhaving openbare orde’. Ik leidde rijkswachters op ‘hoe reageren bij betogingen’: werken met schilden, traangas afschieten, waterkanonnen. Later kwam ik  terug naar Gent bij de BOB, waar ik me jaren met drugs heb bezig gehouden – het was de periode van Boccaccio en andere megadancings met xtc en andere kunstmatige vuile rommel. Begin jaren ’90 deed ik mee aan het officiersexamen, in augustus van ‘95 studeerde ik af als luitenant bij de Rijkswacht. In juni waren Julie en Melissa vermist. Ik herinner me dat vaag, want ik was aan het studeren voor mijn eindexamens. In augustus raakten An en Eefje vermist. Dat herinner ik me ook wel.”

Dat waren voor jou dus eigenlijk de eerste vermiste personen?
Remue:
“Ja. Het waren vooral diegenen die vooral tot de verbeelding spraken, op dat moment. Want de dossiers van Nathalie Geijsbrechts en Kim en Ken waren nog een stukje eerder. Onder invloed van de twee dubbele verdwijningen – Julie, Melissa, An en Eefje – kwam de vraag van de minister van Justitie om iets te doen rond vermiste personen. ‘Alain, dat is misschien iets voor u’, zei onze baas de majoor. Ik was toen nauwelijks een week adjunct-officier in de afdeling Opsporingen en had nog nooit een echt onderzoek naar vermiste personen gevoerd. Ik kreeg vier personen onder mijn hoede. We waren dus met vijf in totaal. Dat was de start van de Cel Vermiste Personen, op 4 september 1995. En ik ben er nooit meer weggeweest.”

Heb je al vaak gedacht hoe anders jouw professionele leven er had uitgezien zonder de zaak-Dutroux?
Remue:
(knikt) Ja. De zaak-Dutroux heeft heel veel zaken veranderd, maar voor mij dus ook. Was die zomer de vraag niet gekomen rond vermiste personen, weet ik niet wat ik nu zou gedaan hebben. Wel gerechtelijk werk, maar wie weet in welke branche? Misschien was ik nu ergens korpschef in één of andere lokale politiezone.”

Maar in de sporen van jouw vader zou je niet meer getreden zijn?
Remue:
“Nee. De Rijkswacht was mijn leven. Altijd met hart en ziel gedaan. Van de eerste week dat ik binnenstapte, wist ik: ‘Dit is wat ik wil doen.’ Het is nooit meer door mijn hoofd geflitst om iets anders te doen of te gaan studeren in de richting van Burgerlijke Bouwkunde of zo. Tot op vandaag heb ik mijn beroep nog nooit aangevoeld als een beroep. Nog geen enkele dag tegen mijn goesting opgestaan. Ik heb ook buitenkansen gekregen. In het voorjaar van 1996 heb ik kunnen studeren in Quantico bij de FBI, verder werk ik ook voor Interpol.”

Je hebt die stage bij het FBI eerder al eens vergeleken met de film ‘Silence of the lambs’.
Remue:
“Ja. Dat was letterlijk ook zo. Wij kregen les van FBI-officieren die meegewerkt hadden aan het onderzoek rond gerenommeerde Amerikaanse serial killers. Bijvoorbeeld John Wayne Gacy, de clown. Dat ganse dossier hebben wij samen ontrafeld. Maar toen ik na die opleiding in Quantico terug kwam naar België, dacht ik: ‘Dat is Amerika.’ Serial killers, kinderporno, dat hebben we bij ons niet. We zijn daar drie maanden ondergedompeld in dat soort horror. Dan kom je hier en denk je: ‘Terug naar het echte leven.’ (pauzeert) Fout hè. Dikke fout. Toen ik terugkwam, verdween begin mei de kleine Liam Vandenbranden. Diezelfde maand verdween Sabine Dardenne, dochtertje van een rijkswachter in Doornik. Dat was onze eerste grote criminele zaak, beseften we al heel snel. Maar tot onze grote frustratie vonden we Sabine niet. We wàren toen nochtans al Cel Vermiste Personen, met andere woorden de specialisten.”

Toen al teruggedacht aan jouw tijd in de VS?
Remue:
“Ja. En er waren ook intense contacten met mensen van het FBI. Ik belde. ‘Hi guys. You know, it’s me.’ In augustus verdween Laetitia Delhez in Bertrix. Zonder dat we het wisten, was dat de stap naar de doorbraak. Wel, bij de start van het onderzoek-Dutroux zijn op onze vraag twee Amerikaanse FBI-agenten naar België gekomen. Bij het verhoor van Dutroux hebben zij ons bijgestaan. Wij hadden het gevoel ‘Dutroux is de man die we moeten hebben’. Alleen hadden wij niet de expertise om zo iemand te ondervragen.”

 

POSTTRAUMATISCHE STRESS

Jij kijkt naar verluidt tijdens een gezinswandeling langs een rivier altijd eens of er geen lijk in het water ligt.
Remue:
“Ja, ik heb dat ooit eens gezegd in een interview. En eerlijk, dat is ook waar. Tot op vandaag doe ik dat inderdaad. In mijn team zijn er nog die deze afwijking hebben. Wij vinden veel mensen terug in het water. Je kijkt met andere ogen naar bepaalde dingen. Als ik bijvoorbeeld van Brussel naar Arlon rijd, dan zie ik een afrit of een plek en denk ik: ‘Hier zijn we geweest voor die zaak of die zoekactie.’ Op die 17 jaar hebben we van alles meegemaakt. Als je als politieman dit werk graag doet, is de Cel Vermiste Personen een bevoorrechte plek. Je bent bij elke grote zaak betrokken. Wij komen inderdaad met veel ellende in contact. Maar daar zijn we op voorbereid.”
“Vanmiddag kreeg ik een telefoontje van één van onze mensen. ‘Yes, we hebben hem’. (pauzeert) Die man is overleden. Maar voor ons gaat het vooral om het ‘vinden’. De mogelijkheid dat je aan de familie een antwoord geeft. Slecht nieuws is vaak beter dan geen nieuws. Het niet weten is moordend. Dat heb ik van de familieleden van de slachtoffers geleerd. Ik heb een enorm respect voor wie een kind heeft verloren dat nog niet is teruggevonden. Verder leven en niet weten wat er gebeurd is. Sommigen mensen hebben me al letterlijk gezegd hoe graag ze hun kind zouden willen begraven. Als ouder is dat een heel rare uitspraak.”

Al de gruwel die je ziet en meemaakt moet aan jou toch knagen? Of trek jij een harnas op?
Remue:
“Kijk, ik zit nu 34 jaar bij de politie, 17 jaar bij de Cel Vermiste Personen. Ik heb de ellende altijd vrij goed een plaats kunnen geven. Ons team hangt heel goed aaneen. Ik kan er ook thuis over spreken. Op cruciale momenten zoals in de zaak van An en Eefje of Stacy en Nathalie bel ik meteen naar mijn vrouw. Kort, tien seconden. Om te zeggen: we hebben het kind gevonden. Dat doe ik natuurlijk niet voor alle zaken. Maar daar waar ik altijd gedacht heb dat ik een olifantenvel had, verloor ik vorig jaar Olivier, één van onze eigen mensen, bij de zoektocht naar de kleine meisjes Amélia en Alysson. Stress of posttraumatische stress heb ik nooit gekend. Tot vorig jaar in januari dat ongeval gebeurde. De twee, drie maanden nadien heb ik me nog nooit zo gevoeld. Weg van de wereld. Ellendig. Meer zin om te bleiten dan wat anders. Ik heb sindsdien nog geen dag niet gewerkt. Maar het ging me niet. Ik kon geen duiker meer in het water zien gaan. Een paar keer heb ik me kwaad gemaakt als mijn team duikers inzette voor een zoekactie. In zoverre dat mijn mensen vroegen: ‘Patron, wat scheelt er? Zo kunnen we niet voortwerken.’ Zij hebben mijn ogen geopend. Ik heb toen in Crisnée bij Luik een namiddag samen gezeten met Alain Velon, de patron van de duikers. Samen zitten bleiten. Ik had daar nood aan. Vanaf dan is mijn werk veel beter gegaan. Ik heb wel één fysiek probleem. Mijn haar is weg. Veel mensen stellen zich de vraag of Alain Remue kanker heeft. ‘Komt het door de chemo’. Neen. Vijf maanden na de gebeurtenis is mijn haar uitgevallen vooraan en aan de zijkant. Toen besloot ik om maar alles af te scheren. Het is dus geen medisch probleem, wel posttraumatische stress. Toen heb ik ook beseft: kijk, je bent niet van staal. Je hebt geen olifantenvel. Wat ik voordien wel dacht.”

Omdat het om iemand ging die je persoonlijk goed kende?
Remue:
“Inderdaad. Het was niet zomaar een duiker of een medewerker. Het was Olivier, een maat die ik al vijftien jaar kende. Ik was ook ter plaatse op het moment van het ongeval. Vooral dat maakte het voor mij ook zwaar. Ik heb een periode waar ik geen geluid heb. Twaalf minuten. Vanaf het besef ‘hier gebeurt iets’ tot het moment dat de brandweerwagens en hulpdiensten toekomen. De periode tussenin is onwezenlijk. Ik herinner me het bericht ‘plongeur en danger’. Daar krijg ik nog altijd kippenvel van (voelt aan zijn arm, MS). Toen viel bij mij de klank weg en zag ik alleen nog wat er gebeurde. Ik zie mezelf alleen nog dingen zeggen. En ik zie Olivier liggen in het water. Je kan dus wel degelijk een moment hebben waar alles weg valt. Vroeger geloofde ik dat nooit. Ik vond dat trut.”

Is het te vergelijken met een ouder die van jullie verneemt dat hun kind dood is teruggevonden?
Remue:
(knikt) Kijk, ik denk dat je op zo’n moment wel eens echt beseft hoe erg het is. De dood van Olivier heeft veel veranderd bij mij. In de zaak van Waldo Van Raemdonck, de vermiste student uit Kortrijk, hadden we op een bepaald moment de zekerheid dat hij in Oostenrijk om het leven was gekomen onder een trein. Wij moesten de ouders inlichten. Met een leugen om bestwil hadden we de familie samengebracht. We wilden zogezegd een stand van zaken geven. We stapten uit het bureau van de recherche in een gang met heel veel glas. We zagen de ontvangstkamer waar de familie aan het wachten was. Ik had de ouders al eerder ontmoet, had zelfs dagelijks contact. Dan weet je dat je nog vijf seconden hebt, dat je de deur gaat opendoen en die mensen hun leven gaat kapotmaken. Een heel bizar gevoel. Maar je moet het zeggen. En het was ook onze keuze om het zo te doen. Want ik heb geleerd om hierin open en eerlijk te communiceren. Je mag mensen geen valse hoop geven.”

Klopt het dat jullie in jullie team nooit werken met een psycholoog?
Remue:
“Het is tot dusver nooit een gewoonte geweest binnen onze cel. We hebben een stressteam. Mensen kunnen daar heen. En er zijn al medewerkers gegaan. Maar het is nooit een systematiek geweest. Na het ongeval met Olivier hebben we dat wel ingevoerd en gaan we er op een andere manier mee om. We beseffen dat het misschien niet slecht is dat je er met mensen over spreekt die er meer verstand van hebben. Maar we zijn altijd enorm geholpen door de sfeer in de groep. Daar investeren we zwaar in. Wij zijn geen 15 collega’s, maar 15 vrienden. Je kunt het je niet permitteren om twee mensen uit te sturen naar een traumatische opdracht als ze niet met elkaar overweg kunnen. Als je een dood kind uit de gracht moet halen, moet je op elkaar rekenen. Bij de selectie kijken we daar ook naar. Niemand kan ambtshalve aangeduid worden om bij mij te komen werken. Het zijn politiemensen, maar allemaal vrijwilligers die hun plaats moeten aanvragen. Als iemand tijdens een selectiegesprek zegt: ‘Een dode doet mij niets’, zal die nooit bij mij komen werken. Als de dood je niets doet, ben je bij ons niet op je plaats. Je moet je werk technisch kunnen blijven doen, maar een zekere mate van empathie is toch belangrijk.”

Dat heb jij ook moeten leren.
Remue:
(knikt) Iedereen moet dat leren. Op je eerste dag kan je je job niet. Ik zit nu 17 jaar bij de Cel, ik leer nog alle dagen. Eén van de basisregels bij ons is: elke zaak is verschillend. Je mag nooit op routine terugvallen. Onze slogan is ‘Zeg nooit nooit’. Ook het boek dat we geschreven hebben vorig jaar heeft die titel. Dat betekent letterlijk: hou altijd alle mogelijkheden open. Sommige zaken beginnen heel onrustwekkend en eindigen met de grootste flauwe kul. En andere zaken starten naar onze normen min of meer normaal en eindigen met een gruwelijke moord. Een kind levend terugvinden na een dag en nacht zoeken, is een uniek moment. Die blik van de mama zien is de ultieme dankbaarheid. Dat maakt heel veel goed.”

Heel veel, maar niet alles?
Remue:
“Goh, er zijn heel veel zaken die altijd zullen blijven hangen. Elk dood kindje dat je ziet is er eentje te veel. Op een bepaald moment wen je wel aan de dood. Dat moet ook, het is een heel belangrijk facet van ons werk. 12 procent van de dossiers loopt slecht af. We zitten ondertussen aan meer dan 20.000 dossiers. 20.000 lichamen. 96 procent van die personen is terecht, leven of dood. Maar dus elk jaar 12 procent overlijdens, meestal gaat het om zelfdoding. Als een kind vermist geraakt, werk ik altijd zelf. Of ik nu van dienst ben of niet. Ik zou me niet op mijn gemak voelen, wetende dat ploegen van mij op zoek zijn naar een kindje van 4 terwijl ik in de zetel zit.”

… Of dat je op een feestje zit. Je vrouw en jijzelf vertrekken meestal met twee auto’s naar een feest, heb ik gehoord.
Remue:
“Ik ben al op heel veel feestjes vertrokken… Als ik van permanentie ben, wordt dat bij ons heel duidelijk ingecalculeerd. Het gebeurt niet elke week, maar toch heel vaak. Als diensthoofd wil ik ook alles weten. Word ik gebeld door wie dan ook, wil ik niet uit de lucht vallen. Mijn werk is mijn passie. Dat is niet altijd ideaal voor de gezinssituatie. Ik heb gelukkig een madam die dat allemaal heeft meegemaakt en heb intussen twee grote kinderen. Ik hoop dat ik dit werk kan blijven doen. Ik mik op 58 jaar.”

Als tegengif voor al die ellende, en wellicht om je gedachten te verzetten, ben jij al jaren seingever tijdens wielerwedstrijden.
Remue:
“Ja. Dat is iets heel anders, een uit de hand gelopen hobby. Koers heeft me altijd al geïnteresseerd. Als klein manneke ging ik al naar de Omloop Het Volk kijken bij de passage in Merelbeke. Met mijn fietsje, een halfuur op voorhand. Ik vond die sfeer tof. Die helikopters in de lucht, de auto’s, de moto’s. Zoals gans Vlaanderen in de jaren ‘60 ben ik opgegroeid met Eddy Merckx. En als je dan de renners van dichtbij kon zien… Wielrennen heeft me ook altijd veel meer geïnteresseerd dan voetbal. Op een dag, ik moet 20 jaar geweest zijn, trok ik naar het dagblad Het Volk en vroeg aan de koersdirecteur om de wedstrijd eens te mogen volgen. Ik was toen helemaal niet bekend. Maar hij antwoordde: ‘Kom over twee weken aan de start, je mag met mij mee in de auto volgen’. Later leerde ik ook de motards kennen. En zo werd ik seingever. En nu doe ik alle wedstrijden: van de Omloop Het Nieuwsblad over de Ronde van Vlaanderen tot de Enecotour zit ik constant op de motor.”
“Voor mij is de koers: knop even omdraaien. Als ik mijn helm opzet en ik hoor de koers, kom ik in een andere wereld. Ik ga wel voor de start en de aankomst bellen met het bureau. Eén keer ben ik uit de koers gestapt nadat ik een oproep kreeg. Jongetje vermist. Dan is mijn dag om zeep. Ze zijn me komen halen en iemand anders heeft de koers op de motor gevolgd. Wij hebben toen de hele dag gewerkt en dat jongetje ‘s avonds overleden teruggevonden.”

 

BEHOEDZAME EEKHOORN

Hoezeer heeft jouw scoutsverleden je gevormd?
Remue:
“In de scouts was ik al snel patrouilleleider. Ik ben altijd iemand geweest die de touwtjes in handen wil nemen, in plaats van te volgen. Ik had in die periode geen behoefte om uit te gaan naar dancings. Scouting was mijn leven. Eigenlijk was de Rijkswacht bij wijze van spreken voor mij het verlengde van scouting. Ik was graag buiten. Dat was in de Rijkswacht ook zo: tactische oefeningen in Leopoldsburg bijvoorbeeld, op kamp in tenten slapen. Voor andere collega’s was dat niet hun ding. ‘Pfff, in tenten slapen, kletsnat worden, slaapzak nat…’ Ik was dat gewoon van bij de scouts. Dat was de max. Ik heb scouting altijd heel belangrijk gevonden.”

Kijk je dan ook naar cv’s of iemand bij de scouts is geweest?
Remue:
“Wel, het valt toch op. Als ik het zie staan op een cv van een collega die bij ons komt postuleren, is het toch wel een aandachtspunt. Als ik het bemerk op de cv, zal ik er zeker naar vragen. Naast andere factoren natuurlijk. Taal bijvoorbeeld. Als je geen woord Frans spreekt, kan je bij mij niet komen werken.”

Wat was jouw totemnaam bij de scouts?
Remue:
“Behoedzame eekhoorn. Ik hield altijd van alles bij. Dat doe ik nog altijd. Ze lachen daar soms wel eens mee. Informatie, documentatie. Als een zaak zich in het Zoniënwoud afspeelt, wil ik alles weten over dat Zoniënwoud: hoe zit het in elkaar, langs waar kan je er in, hoe lopen de riviertjes? Als iemand een feit heeft gepleegd met een mes, ben ik in staat om in (boekhandel) De Slegte op zoek te gaan naar een boek over messen. Ik hou enorm van boeken. Ik koop er veel te veel en lees er veel te weinig.”

Voor veel mensen ben jij de aaibare flik.
Remue:
“Als je mij op televisie ziet, is het voor miserie. Maar ik zit niet echt in een segment van politiewerk dat bedreigend is. We helpen. We zoeken vermiste mensen. We geven een naam aan een lichaam dat zes maanden in een bos heeft gelegen. Wij maken niet de pv’s op, bekeuren geen mensen, stoppen geen mensen in de gevangenis. We pakken er natuurlijk op, pedofielen bijvoorbeeld.”

Jouw team draagt je op handen. Ook elders oogst je unaniem lof. Misschien het enige minpuntje is dat je niet al te emotioneel bent, niet zozeer binnen de Cel, maar naar anderen.
Remue:
“De emoties probeer ik op afstand te houden. Je moet dat proberen. Voor ons is het best dat we ons werk kunnen doen zonder contact met de familie. Dat is technisch het gemakkelijkste. De ouders van Amélia en Alysson kwamen elke dag bij ons. Met koffie, een doos koekjes. Eigenlijk wil je dat niet.”

Maar je doet het wel?
Remue:
“Je kunt ook niet anders. Want die mensen komen bij jou. Daardoor leer je de ouders kennen. En Amélia en Alysson worden beetje bij beetje kinderen die je leert kennen. En dat is kloterij, miserie. Het beste is als wij een soort buffer kunnen inbouwen. Daarom pleit ik er voor dat contacten met familie altijd gebeuren via mensen van Slachtofferbejegening. Die zijn daarvoor opgeleid, dat is hun taak. Maar ik snap ook wel dat mensen vragen hebben en dat ze daar met ons willen over spreken. Soms krijgen we de vraag vanuit Slachtofferhulp: ‘Wij hebben op de technische vragen geen antwoord, kan er iemand van jullie hen te woord staan?’ Dan doe ik dat direct. Want antwoorden op vragen geven is heel belangrijk. Maar het maakt het niet makkelijker, want dan kom je in contact met het leed in persoon. En word je een stuk betrokken. Dat maakt het ook zwaarder.”

Klopt het dat je voor de opnames van de tv-serie ‘Vermist’ jouw dochter een hele zomer mee hebt genomen op de set?
Remue:
“Ze is inderdaad enkele keren mee geweest. Nu, ze was een stuk jonger dan nu en wilde wel eens acteurs zoals Stan Van Samang zien (glimlacht). ‘Vermist’ was natuurlijk fictie. Bij de opnames waren we vaak betrokken als technisch adviseur om de verhaallijnen zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken. De scenario’s werden allemaal nagelezen door iemand van mijn ploeg. Het was een heel toffe ervaring. De tv is ook voor mij een wereld die ik niet kende. We zaten er niet op te wachten, dat avontuur is ons overkomen. Jan Verheyen, Joke Devynck: prachtige mensen.”

Jij zou aan Joke Devynck destijds gezegd hebben: ‘Beesten zijn beter dan mensen’.
Remue:
“Ja. De acteurs en scenaristen zijn bij ons ook op de Cel geweest en hebben een hele Powerpoint uiteenzetting gekregen. Zo konden ze zich inleven. En inderdaad, ik kan me een gesprek herinneren waarin we zeiden: ‘Sommige dingen die mensen doen, doen beesten niet’. Als je meisjes zoals Stacy en Nathalie in een gracht ziet liggen… Een beest doet zoiets niet. Die gaat doden om zich te verdedigen. Wat de dader deed, is… walgelijk.”

Beestachtig…
Remue:
“Beestachtig is een belediging voor de dieren eigenlijk. Dat is mensonwaardig en dieronwaardig. Dat zijn individuen die nooit ofte nooit meer in onze maatschappij mogen rondlopen. Ik weet dat sommige deskundigen en mensen die pedofielen begeleiden me dat standpunt niet altijd in dank afnemen. Maar iemand die bewezen heeft, al is het maar één keer, dat hij met zijn poten niet van een kind kan blijven, hoort niet meer in onze straten thuis. Die mogen ze voor mijn part wegsteken. Ik geloof niet in genezing. Want ik weiger die mensen ziek te noemen. Ziek ben je als een dokter tegen je zegt dat je kanker hebt. Iemand die een kind misbruikt, weiger ik ziek te noemen. (windt zich op) Die is gestoord, ja! En wat hij doet, is niet normaal.”

Wegsteken in de maatschappij: in welke zin? Interneren?
Remue:
“Is mij gelijk. Interneren of levenslang geven, maar dan effectief levenslang. Ik zit waarschijnlijk op de verkeerde plek. En waarschijnlijk is mijn oordeel daarover nogal cru. Omdat ik helaas al veel te veel het resultaat gezien heb van dat soort ellendelingen. Dat zijn geen fraaie beelden, hè? (verheft zijn stem) Zelfs die pipo’s die in hun klein kamertje ’s avonds surfen op het internet op zoek naar kinderporno, moeten beseffen dat ze niet alleen zijn op dat moment. Er wordt meegekeken. Internationale politiediensten kénnen die websites en weten wie naar die sites kijkt. Niet vanavond of volgende week, maar vroeg of laat staan we aan hun deur. En dan stopt hun leven, hè. Het moment dat die stempel op je gezicht staat – en die moét er op – stopt het bij je familie, op je werk.”

Stel je de waarom-vraag aan die pedofielen?
Remue:
“Nee. Dat is mijn job niet. Ik ga enkel contact hebben met hen als het gaat om vermiste personen en als ze ons kunnen helpen bij de zoektocht. Mijn gesprekken met Dutroux en Abdallah Ait Oud gingen dààrover. Het waarom interesseert me wel, mateloos zelfs. Ik lees er ook literatuur over. Maar het is niet mijn werk. Ik verneem het wel, achteraf. Als ik een dossier lees of als ik een videoverhoor bekijk.”

Je hebt zelf een zoon van 22 en een dochter van 17. Denk je niet vaak tijdens je job: ‘Lucky me’?
Remue:
“Ja. Eva is van 1995. Ik ben vertrokken naar Amerika toen ze net geboren was. In de zaak Stacy en Nathalie in 2006 was mijn dochter 11, zowat dezelfde leeftijd als de verdwenen meisjes. Ik ben 18 dagen verantwoordelijk geweest in die zaak. De eerste twee dagen ben ik in Luik gebleven omdat het te intens was. Maar alle andere nachten ben ik naar Merelbeke gekomen. Soms maar twee uurtjes. Maar ik had het nodig op dat moment, in die periode, om de deur van de slaapkamer open te doen en te zien: ‘Oké, mijn kinderen liggen hier goed. Daar kan niets mee gebeuren.’ En dan was het twee uur slapen, douchen en hup weer naar Luik.”
“Op dat punt zal ik waarschijnlijk de verkeerde papa zijn. Mocht mijn dochter hier zijn, zou ze zeggen: ‘Je moet eens de dochter zijn van Alain Remue.’ Ze is 17 en mag ‘s nachts niet met de fiets alleen. Mijn zoon evenmin. Noem het beroepsmisvorming. Maar ik sta liever ’s nachts om 4 uur op om ze te halen, dan dat ik wakker zou liggen niet wetende ‘wanneer komt ze thuis, en komt ze wel thuis’?

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
Remue: 
“Zeg nooit nooit.”

Beluister hier een kort interview-fragment met Alain Remue.

      1. Alain Remue

 

Pin It on Pinterest