Gemiddelde leestijd: 16 min 

Miljardair, beursgoeroe, ex-gevangene, ex-heroïneverslaafde, politicus, schrijver, economist. Zet deze woorden op een rij en je belandt bij Jean-Pierre Van Rossem. “Een heel onwaarschijnlijk en excessief leven”, zegt hij zelf. Het verblijf in de gevangenis heeft de gevallen beursgoeroe naar eigen zeggen gelouterd. “Ik ben nu veel gelukkiger dan toen. Heb ik nog centen? Neen, maar dat geeft niet. Als ik morgen met mijn auto tegen een boom rijd, zal ik denken: ‘foert, ik heb toch goed geleefd’.”

Lange grijze haren, kettingroker, menig ‘godverdomme’ doorheen ons gesprek,… Schijnbaar lijkt Jean-Pierre Van Rossem nauwelijks veranderd. Maar de flamboyante miljardair van weleer is niet meer. Na zijn studies Economie en Econometrie maakte hij naam met zijn beursbeleggingsbedrijf Moneytron. Hij vergaarde een fortuin, werd eigenaar van een Formule 1-team, stapte in de politiek en belandde uiteindelijk in de cel omwille van gesjoemel. “Ik herinner me die dag nog goed. Ik kwam ’s avonds thuis en mijn vrouw zei: ‘Wees blij dat je van Moneytron af bent, want je was eigenlijk maar de slaaf van die rijke smeerlappen.’ Zoveel jaren later ben ik inderdaad blij dat ik er van af ben. Ik heb mijn Ferrari’s niet meer, ik heb geen twee vliegtuigen meer, ik heb dat jacht van 89 miljoen niet meer. Maar ik ben nu gelukkig’.”
Jean-Pierre Van Rossem plant een politieke comeback in 2014, met zijn partij R.O.S.S.E.M. (Radicale Omvormers en Sociale Strijders voor een Eerlijker Maatschappij). Voor we terugblikken op zijn bewogen leven, ontvouwt Van Rossem uitvoerig zijn partijprogramma. “We werken met militanten die doodgewone burgers zijn. Onze vice-voorzitter is bijvoorbeeld een havenarbeider. Zij brengen problemen aan waar je als intellectueel niet altijd bij stilstaat. In onze denktank – waar we die problemen bespreken – zitten mensen met minstens twee universitaire diploma’s. Liefst mensen die gedoctoreerd hebben.”

In hoeverre is de partij van toen te vergelijken met die van nu?
Jean-Pierre Van Rossem:
“De vorige keer, in ’91, ben ik met mijn lul naar de kiezer gegaan, zonder programma. Nu ga ik met mijn verstand naar de kiezer. Ik ga niet meer de clown uithangen. Wij wisten toen niet wat politiek was. Met ons ernstig programma nu, verdedigd door doodgewone mensen maar ook intellectuelen, kunnen we scoren. De tijd is er rijp voor.”
“Ik ben van opleiding econometrist. Alle problemen van de mensen in de straat nemen we op in een rationele analyse: een socio-metrisch en een criminometrisch model van België dat ik heb opgesteld rond verschillende variabelen. Ik geef één voorbeeld: criminaliteit en veiligheid. Met variabelen rond sociale controle, de werkloosheid, de pakkans, de strafkans enzovoort. Een deel van de statistieken haal ik uit Nederland, omdat voor ons land sommige statistieken ontbreken. Het resultaat van de analyse was: het helpt niet om de pakkans te verhogen als de strafkans klein blijft. Nederland was daar een zeer goed voorbeeld van. Als tien mensen werden opgepakt, was er maar één die gestraft werd. Je moet de strafkans verhogen – dat kost niet veel meer geld. En de gemiddelde strafduur moet je halveren – want nu wordt de kleine criminaliteit nauwelijks bestraft wegens te weinig plaats in de gevangenissen. Op deze manier zagen we met ons model dat je de criminaliteit met meer dan een kwart kan terugdringen. De toekomst ligt in het verwiskundigen van de problemen.”

Sommige problemen zijn toch eerder gevoelsmatig en kan je moeilijk in modellen en statistieken gieten?
Van Rossem:
“Inderdaad. Niet alles kan je rationeel benaderen. Zeker problemen van ethische aard. Dan hou ik mij aan wat (de filosoof) Ludwig Wittgenstein schreef in zijn Tractatus Logico-Philosophicus: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen (Waarover men niet spreken kan, zou men beter zwijgen). Dan nemen we geen standpunt in. Of we nemen wel een standpunt in, maar dat zijn dan geen breekpunten.”

En wat zijn de breekpunten voor de partij R.O.S.S.E.M.?
Van Rossem:
“Het eerste is de economische crisis oplossen. Die is zeer ingewikkeld en het gevolg van excessieve kredieten die verstrekt werden aan de overheid en aan het publiek. We hebben de laatste 20 jaar onze economische groei opgebouwd op de poef. Als je een oplossing voor de crisis wil, moet je de schulden onder controle kunnen blijven houden. Ik versta de Europese Unie die zegt ‘er moet budgetcontrole komen’. Alleen is budgetcontrole op zich geen oplossing. Ik ben economist van opleiding. De grote fout is: we denken nog altijd Keynesiaans. In1936 heeft John Maynard Keynes aangetoond dat je zelf uit de put kunt geraken door onder meer grote openbare werken uit te voeren en subsidies aan grote bedrijven te geven. Men had de indruk dat de crisis van de jaren ’30 op die manier opgelost is. Dat is hoegenaamd niet waar.”

Hoe wil jij de huidige crisis aanpakken?
Van Rossem:
“Wel, ik neem België. In ons land zijn er momenteel voor 237 miljard euro spaardeposito’s. Ongeveer 80 miljard daarvan wordt gebruikt om kredieten te verstrekken. De demarcatielijn tussen spaarbanken en investeringsbanken is compleet verdwenen. Zeker vanaf 2000 hebben de meeste banken zich vergaloppeerd in een soort casinokapitalisme. Die spaardeposito’s gebruiken om te speculeren, is levensgevaarlijk. Dexia is daar het mooiste voorbeeld van.”
“Je moet arbeidsintensieve openbare werken financieren. In het bijzonder in de bouwsector. Een sociale coöperatieve die voor de helft met eigen middelen werkt en voor de andere helft met volkskapitaal. Ons voorstel is: blokkeer 5 jaar een deel van die spaardeposito’s. Spaarders, burgers kunnen hieraan meewerken. De staat blijft jouw kapitaal en jouw interest garanderen. Gedurende die periode is het de privé die het geld investeert. En niet de Belgische staat, anders loopt de staatsschuld op. De Belgische staat haalt zo wel via de registratierechten 13,7 miljard euro op. Het eindresultaat: je schept 215.000 nieuwe arbeidsplaatsen. Je spaart ook op werkloosheidsuitkeringen, want er zijn meer mensen aan het werk voor die grote bouwprojecten. En omdat er meer geconsumeerd wordt, krijgt de staat ook meer inkomsten via btw. In dat systeem is het wel belangrijk dat de overproductie kan verdwijnen. En daarvoor is het nodig dat de concurrentiekracht met de buurlanden verstevigd wordt. De btw van 21 naar 19 procent, de vennootschapsbelastingen verlagen 20 procent en de loonlasten moeten met 12 procent naar beneden.”

En hoe compenseer je dat verlies aan belastinginkomsten?
Van Rossem:
“Simpel. In België zijn er meer dan  150.000 appartement en villa’s die meer kosten dat 1,5 miljoen euro. Die woningen kunnen ze niet onder hun arm mee naar de Kaaimaneilanden of naar Zwitserland brengen. Belast die eigenaars met 10 procent gedurende 4 jaar.”

In ’91 haalde je vier zetels. Toen bestond er nog geen kiesdrempel. Waar mik je nu op?
Van Rossem:
“We zullen die kiesdrempel halen. De mistevredenheid bij de mensen is hoog, hè. Ze worden echt als citroenen uitgeperst. Het kan mij niet schelen wie mijn programma doorvoert. Bart De Wever kan dit doen, als hij wat minder geborneerd zou zijn op zijn 7de staatshervorming en eindelijk degelijk economisten in zijn partij zou toelaten. Maar het interesseert zijn partij niet. Het gaat allemaal opgelost worden door een autonoom Vlaanderen. Als je op straat loopt, kom je dan burgers tegen die zeggen: ‘We hebben een autonoom Vlaanderen nodig.’ Neen. Wel mensen die zeggen: ‘Ik heb heel mijn leven bijgedragen voor mijn pensioen. Het is veel te klein.’ En zelfstandigen die klagen: ‘We kunnen die loonkosten niet meer blijven betalen.’ Dàt zijn de werkelijke economische problemen. En die los je niet op met een 7de staatshervorming als de 6de nog niet af is.”

Je hebt al eens gezegd: we zijn niet links of rechts, maar averechts. Wat bedoel je daar mee?
Van Rossem:
“De overheid is een hinderpaal in het economisch leven. Die hinderpaal willen we wegwerken. En dat is rechts. Maar tezelfdertijd zeggen we dat we bij de rijken het geld moeten halen om de economie weer gezond te krijgen. Dat is dan links. Ik zou nooit kunnen samenwerken met De Wever omdat hij veel te rechts is. Van alle partijen die er zijn, ben ik het met Peter Mertens van PvdA het meest eens. En ook met de Groenen, nu de generatie van Mieke Vogels op haar laatste benen loopt. En met de Franstalige Groenen.”

 

‘DE SLAAF VAN DIE RIJKE SMEERLAPPEN’

In welke mate sleep jij je verleden nog mee?
Van Rossem:
“In hoge mate, hè. Als je als intellectueel in de bak gezeten hebt, blijf je een crimineel tot de rest van je dagen. Op 9 november 2004 heeft het Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg beslist dat de Belgische Staat mij onterecht heeft opgesloten. Die veroordeling was zeer duidelijk een politieke afrekening. We hébben natuurlijk gesjoemeld. Maar in heel die financiële wereld wordt er continu gesjoemeld. Als ik kijk naar Pierre Richard die van een gezonde bank als het Gemeentekrediet één puinhoop heeft gemaakt… Dexia zit op een schuldenberg van 1.000 miljard. Voor een modaal Belgisch gezin betekent dat 320.000 euro. Dat is meer dan de villa of appartement waar ze in wonen. Richard is geen crimineel. Van Rossem, die in Straatsburg is vrijgesproken, wordt altijd opgevoerd als ‘de oplichter’, ‘de bajesklant’. Je kunt daar een tijd mee leven, maar op de duur hangt dat je keel uit, hè.”

‘Ik heb van 1 ding spijt: dat ik geen professor ben geworden.’ Een uitspraak van jou uit 2009.
Van Rossem:
“Ja. Als ik 30 jaar was, kreeg ik de kans om de faculteit informatica op te starten. (mijmerend) Ik had dat moeten doen en ik heb dat niet gedaan… Ik had een repetitiebureau waar ik veel meer dan proffen kon verdienen. Ik begeleidde er studenten. Van jaar tot jaar zag je dat resultaat verminderen. De eerste jaren zaten we aan 90 procent geslaagden. Toen ik gestopt ben in ’85 zaten we nog aan 60 procent. Nu heeft het trouwens geen zin meer om repetitiebureaus open te doen, want er is een totale verkleutering van het hoge onderwijs.”

Vertel nog eens voor de lezers wat je precies deed met jouw repetitiebureau.
Van Rossem:
“Ik heb allerlei soorten lessen gegeven, behalve biologie. (fijntjes:) Diegene die het meest geleerd heeft, ben ik geweest, denk ik. Want ja, ik moest al die cursussen studeren. Ik heb dat door een heel brede kijk gekregen die ik van de unief niet meegekregen heb. Dat is één voordeel geweest dat ik niet zou gehad hebben mocht ik prof geworden zijn. Maar anderzijds zou ik mij nooit gewaagd hebben aan de uitdaging ‘kunnen we de beurs kloppen met econometrische modellen?’ Het ging hem helemaal niet om dat geld. Dan draai je mee. En uiteindelijk ben je de loopjongen van het grootkapitaal, de moneymaker. Ik had in Leuven een repetitiebureau. De studenten Economie waren bijna allemaal fils-à-papa’s en hadden een bloedhekel aan wiskunde. En ik zei: ‘godverdomme, ik ga je tonen wat je met wiskunde kan doen. Breng volgende week elk 100.000 frank mee. Als we speculeren op de beurs met een wiskundig model, ga ik je tonen wat je er kan van maken.’ Die kerels brachten allemaal 100.000 frank mee, in totaal zo’n 13 miljoen. In Nederland waren er toen verkiezingen. En ik had een voorgevoel dat links zou winnen, terwijl iedereen dacht dat rechts ging winnen. Het had dus niets met wiskunde te maken, gewoon fingerspitzengefühl. Ik zette het geld in. Die gasten vertelden dat thuis tegen hun vaders. Toen zag je een surrealistische wereld. Die vaders en moeders kwamen met koffers zwart geld af. ‘Meneer Van Rossem, als dat gaat met 100.000 frank, gaat dat toch ook met 100 miljoen?’ Ik was toen al volop bezig met een beursmodel te bouwen dat speculeerde op macro-economische variabelen: op de wisselkoersen, de Standard & Poors enzovoort. Ik dacht: ‘Met al dit geld kan ik het model uitproberen.’ ‘Brengt het maar 20 procent op, meneer Van Rossem? Heb je niet wat meer’, vroegen ze. En dan vind je technieken die er over zijn. Maar technieken waarbij niemand normaal gezien geld moest verliezen. Ik heb niet gezorgd voor zulke verliezen zoals de bankiers sinds de crisis van 2007. Wereldwijd is twee derde van het wereld nationaal product. Hoeveel zelfstandigen zijn er niet die al hun geld verloren zijn op de beurs? Maar zijn de bankiers veroordeeld?”

Maar je geeft zelf wel toe: ‘Ik heb gesjoemeld’.
Van Rossem:
“Natuurlijk. Ik wist waar de aandelen van de Deutsche Bank gedrukt werden. Ik kon die ook drukken. Geen expert ter wereld kon het onderscheid maken tussen valse en echte. We gaven de raad: ‘Geef die aandelen in pand van de bank. Je zal een groot krediet krijgen en zorgt er wel voor dat je krediet wordt terugbetaald. En op het einde van de rit verbrand je gewoon die papieren.’ Niemand verloor er bij, ook Deutsche Bank niet. We hebben op deze manier 7 grote projecten gefinancierd. In het zevende project kon die gast zijn schulden die afbetalen. Hij heeft zijn aandelen verkocht. Maar aan die aandelen hingen coupons. Dus die liep in de kortste keren tegen de lamp. Zo is het gegaan. Had hij het spel gespeeld zoals we het zeiden, zou er nooit een haan naar gekraaid hebben. Ik herinner me die dag nog goed. Ik kwam ’s avonds thuis en mijn vrouw zei: ‘Wees blij dat je er van af bent, want je was eigenlijk maar de slaaf van die rijke smeerlappen.’ Zoveel jaren later ben ik inderdaad blij dat ik er van af ben. Ik heb mijn Ferrari’s niet meer, ik heb geen twee vliegtuigen meer, ik heb dat jacht van 89 miljoen niet meer. Maar ik ben nu gelukkig.’

Gelukkiger dan toen?
Van Rossem:
“Veel gelukkiger. Ik heb meeval. Ik ben 67 jaar, ik heb een vriendin die 37 jaar jonger is. Een beauty tot en met, die mij doodgraag ziet, die alles doet voor mij. Ben je dan gelukkiger? Ja natuurlijk. Heb je dan centen? Neen, maar dat geeft niet.”

Het leven dat je toen leidde als miljardair moet toch wel fantastisch geweest zijn?
Van Rossem:
“Ik weet één ding. Als ik morgen met mijn auto tegen een boom rijd, zal ik denken: ‘foert, ik heb toch goed geleefd.’ Ik heb inderdaad een excessief leven beleefd. Dat heb ik voor een stukje proberen te beschrijven in mijn boek ‘De engel in de duivel’. Ik heb ook enorm veel geluk gehad. Op 22 jaar kreeg ik van een bijouterie in Parijs een Ferrari cadeau. De proffen reden met een Peugeot 204 die van de roest aaneenhing. En ik kwam in de les toe met een Ferrari. Ik kon iedere griet krijgen aan de universiteit. Dat was magisch. Een heel onwaarschijnlijk leven.”

Een leven dat je niet had geleid mocht je voor een carrière als prof gegaan zijn.
Van Rossem:
“Maar misschien zou ik dan een deftig pensioen gehad hebben en zou ik op 67 jaar niet nog artikels moeten schrijven tot een gat in de nacht, om gewoon een beetje een normaal leven te kunnen leiden.”

Inderdaad, je schrijft artikels. Is dat jouw bron van inkomsten?”
Van Rossem:
“Ja, maar ik schrijf onder een pseudoniem. Anders slaan ze dat ook aan. Van ieder boek dat ik uitgegeven heb – 13 romans en een stuk of 6 wetenschappelijke werken – heb ik nooit een cent gehad. Daar legt men onmiddellijk beslag op.”

 

GELOUTERD UIT DE GEVANGENIS

Hoe was het in de gevangenis? Hoe kijk je daar op terug?
Van Rossem:
“Ik was ook geen modale gevangene, natuurlijk. Ik heb dat niet zo ervaren als anderen die opgesloten zitten. Cipiers brachten me van alles mee. Als ik kreeft wilde eten, dan at ik kreeft in de gevangenis. Of als ik zin had in een goede fles wijn. Ik betaalde dat zelf en kreeg dat mee van de nachtploeg. Als die cipiers wat beter betaald zouden zijn, zouden die mensen zich niet tot zoiets laten verleiden. Maar die cipiers zitten levenslang gevangen in een klote systeem tot en met. Die gaan geen wapens binnensmokkelen en niets doen wat gevaarlijk is. Een fles wijn of een kreeft binnenbrengen, knaagt niet aan hun geweten, hè? Maar het vult wel hun portefeuille. Nu, de gevangenis was vreselijk. Je kinderen moeten missen en zo. Mijn jongste zoon was toen 6 jaar. Mocht één keer per week op bezoek komen. Wrange dingen. Ik was zeer opstandig. Ik heb ooit een directrice een pot inkt doen drinken. En een ketel soep naar beneden gegooid. Vloog ik in het cachot? Ja, een uur of drie. En dan kregen ze een telefoontje en mocht ik weer naar mijn cel.”

Ben je gelouterd uit de gevangenis gekomen?
Van Rossem:
“Ja. Ik ben tot inzicht gekomen. Ik doe niets meer waar ik nog een gevangenisstraf zou voor riskeren. Ik ben ook veel bezadigder geworden. En ik vertelde aan mezelf: ‘Bon, ik ben niet de domste van de klas. Laat ik mijn verstand gebruiken om politiek aan oplossingen te geraken.’ Heeft het mij gelouterd? Ja, ik zekere zin wel. Je leert relativeren. Ik heb in mijn leven 107 Ferrari’s gekocht. Maar je hebt geen garage van 107 Ferrari’s nodig om gelukkig te zijn. Ik heb ooit met mijn Formule 1-piloot Stefan Johansson 404 km/u over de autostrade gedokkerd. Heb je dat nodig? Bah neen. Als ze mij morgen een Ferrari geven, ga ik natuurlijk ‘merci’ zeggen. En dat is dan goed voor mijn vriendin die daar kan van genieten. Maar steek mij in een Ferrari en ik zal 150 rijden. En niet meer aan zo’n gekke snelheden.”

In jouw topjaren was je ook eigenaar van het F1-team Onyx.
Van Rossem:
“Daar heb ik goede herinneringen aan.”

Heb je ooit de banden met de autowereld terug aangehaald?
Van Rossem:
“Ik heb nog plannen gehad om terug te keren. Maar ik heb ze niet gerealiseerd. Men vroeg me destijds om een team te sponsoren. Nadien heb ik dat team overgekocht. We zijn er met een totaal nieuwe wagen toch in geslaagd om aan de leiding van een wedstrijd te rijden en een podium te halen in Portugal. Dat vond ik een enorme prestatie van mijn ingenieur. De bedoeling was om voort te gaan. Ik had een deal gesloten met Porsche. Dat zou me 50 miljoen dollar gekost hebben. Ik vond een sponsor bij de Rothschilds. Maar dat zijn natuurlijk joden. Zijn advocaat, zelf jood, kwam er op uit dat Jean-Marie Ballestre, de toenmalige grote baas van de F1, een verzetsman en ex-Nazi was. Dat contract ging daarom niet door. Toen heb ik die persconferentie gehouden in het Ritzhotel in Parijs. Ik vertelde over Ballestre. Het heeft ertoe geleid dat hij drie maanden later is verwijderd uit de Formule 1 en dat hij al het geld heeft moeten terugbetalen dat hij als verzetsstrijder gewonnen had. Maar voor mij was het verhaal uit. 14 dagen voor we moesten beginnen, waren we onze hoofdsponsor kwijt. Ik ben trouwens helemaal anti-Nazi en anti-Hitler. Toen heb ik contact genomen met Bernie Ecclestone en gezegd: ‘Ik schei er mee uit en verkoop mijn team.’ Er zat iets meer dan 20 miljoen dollar eigen middelen in. Ecclestone maakte een deal met mij en kreeg 10 procent van dat bedrag. Ik heb nooit één cent ontvangen van die verkoop.”

In de gevangenis hield je een dagboek bij dat later ook in boekvorm is uitgebracht. Was dat ook een soort loutering, het ‘afschrijven’ van wat je meemaakte?
Van Rossem:
“Ja, afschrijven was één ding. Maar ik heb mijn artikels moeten dicteren aan mijn zoon. Als diabetespatiënt kon ik mijn handen niet meer gebruiken. Ik heb meer dan een jaar moeten vechten om mijn persoonlijke huisdokter in de gevangenis te krijgen. Na dat jaar had ik een suikergehalte van 738: dodelijk in de hoogste graad. In de gevangenis van Sint-Gillis hebben ze me in grote paniek naar de gevangenis van Brugge gebracht en mij behandeld. Maar het was te laat. Het is net of je koudvuur in je handen hebt. Door de stress wordt dat veel erger. Nu ik ontspannen ben, kan ik weer werken. Maar ik kan sindsdien niet meer typen zoals vroeger. Al heb ik nu weer stress. Door het proces van ’86 waar de RVA mij nu 93.500 euro in mijn nek slaat. Voor een proces dat al ettelijke keren verjaard is (Iedereen die destijds meer dan 1 miljoen frank verdiende, moest een extra bijdrage leveren. Van Rossem is nooit akkoord gegaan met de berekening die ze voor hem maakten, MS).

Zoeken ze jou?
Van Rossem:
“Op één week tijd is er toevallig van alles uitgekomen. In dezelfde week dat ik aankondigde dat R.O.S.S.E.M. meedoet met de verkiezingen van 2014. Maar ik wil de Calimero niet uithangen. Ja, ze hebben heel mijn pensioen in beslag genomen. Ik heb dus momenteel geen inkomen. Ik zal wel zien wat ik zal doen. Misschien opnieuw een paar thesissen of een doctoraat schrijven zoals ik vroeger deed. Want wat heb ik aan artikels schrijven onder een pseudoniem waarvoor je pas twee maanden nadien wordt betaald? Ik moet nu ook leven natuurlijk.”

Omgekeerd kan ook: kwatongen beweren dat je in ’91 in de politiek bent gegaan om zo parlementair onschendbaarheid te zijn. Je hebt dit altijd ontkend. Kan je dat voor eens en voor altijd ontkrachten?
Van Rossem:
“Ja en nee. Ik wist van Paul Van den Boeynants dat hij onschendbaarheid had gekregen doordat hij in de politiek zat. Maar de politieke zeden waren wel al serieus veranderd. De kans dat ik daar immuniteit zou voor gekregen hebben, was klein. Dat er altijd een bijbedoeling was: ja. Maar de hoofdreden was: ik had altijd in de haute finance gezeten en aan de beurs gewerkt. Ik had wel wat romans geschreven. Maar voor de rest had ik niets te doen. En dan kwam dat idee: ‘Laat ons in de politiek gaan.’ Maar zonder enige politieke ervaring, zonder een echt plan. Wat er staat in ‘Libertijnse breekpunten’ en ‘Libertijns manifest’ is geen rationeel programma. Dat is alles op een hoopje gegooid.”

In de jaren ’70 ben je heroïneverslaafd geweest.
Van Rossem:
“Tot en met. Ik woog 33 kg. Nadat ik afgekickt was, ben ik er volledig mee gestopt. Ik had toen al een repetitorenbureau. Om het halfuur onderbrak ik mijn lessen om een shot te zetten. Tien minuten later deed ik voort. Ik gaf onder meer les aan een heel mooi meisje dat smoorverliefd was op mij, ondanks het feit dat ik getrouwd was. Zij wist van mijn verslaving en heeft mij ooit betrapt met mijn arm die één lijn was van spuitplekken. Ze kon het niet meer aanzien. Haar vader had een jagershut in de Ardèche. Een hut waar je de luiken van buiten kon sluiten met een sleutel. Al wie toen met mij spoot, was intussen dood. Ik had met dat meisje een deal gemaakt: ‘Sluit mij 14 dagen op en geef mij gewone frisdrank – want eten doe je niet als heroïneverslaafde.’ Toen ze terugkwam, hingen de muren vol bloed. Je klopt met de kop tegen de muur omdat je niets hebt, hè. Je wordt zot. Na 14 dagen ben ik buiten gekomen en gezegd ‘godverdomme’. Dankzij haar ben ik er van af geraakt. Die relatie… tja, dat was een doodlopende straat. Die is nadien spaak gelopen. Ik heb dat meisje nog één keer teruggezien, 30 jaar later. Ze was dik geworden. Ze was nog mooi, maar mollig. Het was toch dat niet meer. Ze komt in één van mijn boeken. Had ik haar niet gehad, zat ik hier niet…”

Hoe wil jij de geschiedenis ingaan? Want je kan jou veel omschrijvingen geven: schrijver, beursgoeroe, rebel, politicus.
Van Rossem:
“Ik moet de geschiedenis niet ingaan. (lacht) Ik heb die ambitie niet. Steven Vanackere of Leo Tindemans, die verdienen een plaats. Tindemans heeft nog iets gedaan voor Europa. Er moet niets van mij bewaard blijven. Als je dood bent, is het gedaan. En mijn boeken? Ik heb een aantal romans geschreven die niet slecht waren maar die men afkraakte omdat het Van Rossem was. Op de duur zou je twijfelen: kan ik wel schrijven of niet? In 1998 zat ik in de gevangenis in Brugge en om 7 uur ’s morgens is Hugo Claus de tekst van mijn roman ‘De nacht van de Nachtschade‘ komen buitensmokkelen. Claus had mij een brief geschreven: ‘U bent van alle schrijvers diegene die mij het dichtst benaderde als u meer zou schrijven.’ En dat is voor mij genoeg. De hele wereld mag zeggen ‘het trekt op geen kloten’. Moet dat vereeuwigd worden? Bah nee. Maar het feit dat die man daar aan dacht en dat hij toch de inspanning deed om om 5 uur ’s morgens op te staan en om dan aanschuiven tussen al dat krapuul om mijn manuscript buiten te smokkelen…”

Was je close met Claus?
Van Rossem:
“Helemaal niet. Wel eens met hem en schrijver Pierrot Roobjee een hele nacht op zwier geweest. Dat was ons enige contact. Ik wou in Parijs ook ooit absoluut schrijver Franz Jung zien. Mijn vader werkte aan de spoorwegen, daardoor kon in naar Parijs met de trein. Ik ben er uiteindelijk in geslaagd om die man te ontmoeten, in 1961. Een heel boeiend schrijver. Hij was ook economist, is ook drie keer getrouwd geweest, hij had ook twee zonen, was ook als communist begonnen en als milde anarchist geëindigd. Er waren zoveel raakpunten die ik toen al aanvoelde en later allemaal bevestigd zag. En ik heb aan Hugo Claus gezegd: ‘Die schrijver moet je lezen.’ Naar aanleiding hiervan zijn de contacten ontstaan.”
“Ik ga nog twee mooie romans schrijven. Ik zou nog graag een handleiding in Economie schrijven. Want die opleidingen Economie trekken eigenlijk op niets. En ik wil verder werken aan die stapel daar (wijst naar papieren in één van zijn bibliotheekkasten, MS). Een soort beknopt overzicht van de Wereldgeschiedenis. Geen opeenstapeling van feiten, maar verklaring van feiten. Ik heb een eerste aanzet gegeven in mijn boek ‘Belgisch uranium voor de eerste Amerikaanse en Russische  atoombommen’, waar ik ook aantoon dat Lahaut zeer waarschijnlijk is vermoord geweest door mensen uit de entourage van (toenmalig CVP-minister) Albert De Vleeschauwer.”

Julien Lahaut, de Belgische politicus die in 1950 ‘Vive la République’ riep tijdens de eedaflegging van koning Boudewijn. Net dezelfde uitspraak als jij deed tijdens de eedaflegging van koning Albert II in 1993. Je timing zou goed zijn: je wordt volgend jaar verkozen en kort nadien wordt prins Filip koning. Dan kan je jouw stunt opnieuw doen.
Van Rossem:
(schalks) Ik ga het hem deze keer op een briefje geven. Of zeggen: ‘Ik heb een briefje overhandigd aan de nieuwe koning.’ En als hij wil, kan hij het voorlezen. Maar ik zou het zeker niet meer opnieuw op deze manier doen. Hoe is dat gelopen… Patrick Dewael kwam naar mij: ‘Van Rossem, je gaat toch wel wat roepen?’ En ik mompelde ‘mja, ik zal wel wat roepen.’ Maar toen zag ik de Kamer vol zitten met mensen die niets hadden moeten doen om verkozen te worden: de kardinaal, de generaals van het leger. En ik begon me op te winden. ‘Godverdomme, wat doet heel die bende klootzakken hier?’ Toen klonk: ‘De koning, le roi, der König.’ En ik dacht: ‘godverdomme, klootzak.’ En hij stond daar te beven… En ik: ‘Vive Julien Lahaut. Vive la République d’Europe.’ En (Kamervoorzitter) Frank Swaelen had een tekstje voorbereid omdat hij dacht dat Vlaams Blok de eedaflegging ging verstoren. Hij las zijn tekstje af. En ik werd opgesloten in mijn bureau in het parlement. Telefoon afgesloten. Ik kon nergens bellen. Mijn jongste kind zat toen in de crèche. Ik moest hem absoluut halen. Ik reed toen uit pure armoede met een Rolls-Royce die ze niet hadden kunnen aanslaan. Ongeveer de slechtste auto waar ik ooit meer gereden heb. Voor mijn bureau hadden ze twee militaire politieagenten geposteerd. Op een bepaald moment moest één van die twee gaan plassen. Ik smeet de deur open, liep naar de lift. En – authentiek gebeurd: die ene agent riep ‘Stop, of ik schiet’. En ik zei: ‘Schiet maar, dan sta je in het geschiedenisboekje.’ Ik ben dan gevlucht naar de garage waar mijn Rolls-Royce stond. Maar op weg naar de crèche moest ik langs het koninklijk paleis passeren. En daar stond een uitzinnige massa, euforisch voor de koning. Die mensen herkenden mij. Twee sprongen op de kap van mijn Rolls-Royce. ‘Foert, ik rij’, zei ik. En ik gaf gas.”

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
Van Rossem:
“Ze mogen mij verassen en het uitstrooien waar ze willen. Ik moet ook geen gedenkplaat hebben. Mijn kinderen en mijn vrouw zullen mij wel gedenken. Dat is voor mij genoeg.”

 

Beluister hier een kort interview-fragment met Jean-Pierre Van Rossem.

      1. Jean-Pierre Van Rossem

 

Foto’s James Arthur Fotografie:

 

Pin It on Pinterest