P1110671-920x656

Gemiddelde leestijd: 11 min 

Mocht ze met haar palmares in Frankrijk of Japan geleefd hebben, was Gella Vandecaveye nu multimiljonair. Als enige Belgische sportvrouw behaalde ze twee Olympische medailles. De voormalige topjudoka vocht permanent: tegen andere judoka’s, tegen de weegschaal en de ziekte boulimie, en tegen het lot dat haar zware blessures en lange revalidaties bezorgde.

Het valt op hoe fit ze nog altijd is. Tien jaar geleden nam ze afscheid van de topsport. Maar de Gella Vandecaveye die voor ons zit, lijkt magerder dan ooit.

Gella Vandecaveye: “Ik weeg inderdaad minder dan als actieve judoka. Terwijl ik vroeger altijd moest knokken tegen de weegschaal, zit ik nu onder mijn competitiegewicht. Ik hoor bijna in een andere categorie, denk ik. (snel) Maar ik weeg me nooit meer. Nu heb ik het losgelaten en draait mijn metabolisme ook sneller. Ik heb dat jojo-gedoe niet meer, ik hoef niet meer dwangmatig op die bepaalde dag x aantal kg te wegen. Sociaal ben ik veel rustiger, ik heb ook minder stress en ben milder geworden. Het komt allemaal op zijn plooi. Topsport is niet normaal. Het is alles of niets. Wit of zwart. Een beetje zwanger bestaat niet. Je moet ambitieus zijn, de beste willen zijn. Anders doe je niet aan topsport. Het normale leven is veel evenwichtiger. Die weegschaal heeft 20 jaar van mijn leven gedomineerd. De dag na mijn laatste wedstrijd heb ik ze letterlijk op het stort gesmeten. Bij de jaarlijkse controle vragen de dokter of de gynaecoloog me om op de weegschaal te staan, en telkens vraag ik ‘moet dat?’ Ik ben wat spiermassa kwijt, en na 20 jaar topsport ben ik ook mijn babyvet kwijt. Ik ben een laatbloeier. Maar ik bloei. (lacht) Je hebt jongeren die snel rijp zijn. Maar vlug rijp is snel rot, hè?”

Nochtans stond je vrij snel aan de top, nee?
Vandecaveye:
“Bij de jongeren behoorde ik nationaal tot de top, maar internationaal tot de subtop. Ik had mijn tijd nodig om matuur te worden. En ik deed mee in de koninginnenklasse, waar het meest concurrentie was. Ik had wat faalangst, een beetje een gebrek aan zelfvertrouwen. Sommige judoka’s stonden er al op hun 16, ik hing nog aan moeders rok.”

Jij startte op 8 jaar met judo. Heb je net als bijvoorbeeld Björn Borg en John McEnroe eerst andere sporten beoefend?
Vandecaveye:
“Ik heb als kind zowat alle sporten gedaan. Mijn vakanties waren gevuld met sportkampen. Ik heb van alles geproefd, en judo is toevallig overgebleven. Mijn kinderdroom was eigenlijk om advocaat te worden. Het was de periode van (de Amerikaanse tv-serie) Matlock, en het interesseerde me enorm om de zwakkeren en onderdrukten van de maatschappij te verdedigen. Dat was mijn beeld van een advocaat. Terwijl advocaten natuurlijk ook daders en het grootste krapuul verdedigen, niet alleen de goede zaken. Ik zag me voor de balie een zaak bepleiten en dan winnen. Rechtvaardigheid moet zegevieren, dacht ik. Gezien mijn gigantisch rechtvaardigheidsgevoel was dit dus mijn droom. Maar ik ben in het judo gerold en heb dat later gecombineerd met mijn hogere studies Communicatiemanagement. Dat met topsport combineren was zeer lastig, maar ik heb toch mijn diploma gehaald. Ik heb mijn plan getrokken. Dat heb ik geleerd van mijn ouders, die zelfstandige waren. Ik kom altijd op mijn voetjes terecht. Brave meisjes geraken in de hemel, stoute meisjes geraken overal.”

Waarom koos je uiteindelijk voor judo?
Vandecaveye:
“Omdat ik daar met de buurjongens en met mijn oudere broer mijn ei in kwijt kon. Ik was het enige meisje dat altijd tegen de jongens knokte. Toen had ik zo’n broskopje, ik was dus ‘one of the guys’. (lacht) En zo zagen zij mij ook, zonder mijn integriteit als meisje en later als volwassen vrouw te verliezen natuurlijk. Judo is geen evidente keuze, dat klopt. Maar het was fun, en mijn ouders waren tevreden dat ik niet op straat speelde. Mijn principe was: eerst spelen, en dan huiswerk maken. Elke keer had ik gaten in mijn broek, en vuile knieën. Daardoor kreeg ik rond mijn oren van mijn moeder, omdat ik eerst mijn mooie kleren had moeten afdoen voor ik ging spelen.”

Op 15-jarige leeftijd kwam je in contact met jouw latere trainer Eddy Vinckier. Hoe is dat verlopen?
Vandecaveye:
“Eddy was selectieheer voor de provincie West-Vlaanderen. Hij ging op stage en moest tien dames selecteren. Hij zag mij, dat broskopje, en vroeg zich af ‘is dat nu een mannetje of een meisje?’ (lacht) Hij moest kijken naar de officiële papieren. Toen heeft hij mij in zijn selectie genomen. Het klikte meteen. Ik stond op een tweesprong: doorgaan met judo of niet. De hoofdtrainer was namelijk gestorven en onze club was aan het slabakken. De kans zat er in dat ik zou stoppen met judo. Eddy kwam op het goede moment. Het was een toevallige ontmoeting. Het lot, zeker?”

Je hebt heel wat medailles en titels behaald. Op welk resultaat ben je het meest trots?
Vandecaveye:
“Op het geheel. Ik heb altijd fair play hoog in het vaandel gehouden, en heb het altijd zuiver gedaan – ook al leent judo zich niet echt tot doping. Ik zou ook een overwinning kunnen noemen. Maar alle overwinningen zijn belangrijk voor mij. Mocht ik er één uitkiezen, zou ik oneer doen aan de anderen. Ik ben trots op het feit dat ik altijd recht gekrabbeld ben na een tegenslag. Mijn nekwervelbreuk, mijn knie, brons gehaald op één been – dat laatste was zeker niet vanzelfsprekend, want twee maanden voor de Spelen scheurde ik mijn kruisbanden en de Olympische dokter zei ‘Gella, jij gaat de Spelen nooit halen’. En dan win ik brons tegen het meisje tegen wie ik mijn nek gebroken heb. Alweer dat toeval…”

Ik ga toch ééns proberen: ben je niet het meest trots op je twee Olympische medailles?
Vandecaveye:
“Uiteraard. Het klinkt hautain om dit zelf te zeggen, maar ik ben de enige vrouw in België met twee Olympische medailles, op twee verschillende Spelen. Als we tegenwoordig bedrijfsactiviteiten doen, nemen we die medailles mee. Heel wat mensen hebben nog geen Olympische medaille gevoeld of aangeraakt, en dan hang ik ze rond hun nek en wanen ze zich Olympisch kampioen voor één dag. Dus uiteraard ben ik daar fier op. Maar ik ben even fier op mijn twee wereldtitels.”

 

HALSBREKEND, NIET HARDNEKKIG

Je verwees al naar blessures en revalidaties. Heb je tijdens je carrière nooit gevreesd dat je een zware tol zou moeten betalen voor al die jaren topsport?
Vandacaveye:
“Op dat moment mag je je geen vragen stellen. Blessures horen nu eenmaal bij topsport. Als je er te veel aan denkt, ben je eigenlijk al aan je afscheid bezig. Pas op het einde van je carrière besef je dat je een prijs zal betalen voor de roofbouw die je pleegt. Ik wéét dat ik een prijs betaald heb, dat ik een hypotheek gelegd heb op mijn lichaam. Maar ik weet tenminste van wat het is. Bij veel mensen is hun rug, knie, schouder of wat dan ook versleten, maar ze weten niet van wat. ‘Ze hebben een zwak gestel.’ Hoezo? Door net te weinig aan sport te doen, misschien. Op 25 jaar, knal in het midden van mijn judocarrière, breek ik mijn nek. 17 oktober 1998 om kwart na tien. (gniffelt) Toen het verlammingsgevaar geweken was, zeiden ze: ‘Als mens komt het in orde, maar je mag een kruis maken over je carrière.’ Dan moet je eens slikken, want je bent niet voorbereid en hebt geen plan B. Als ik stop, wil ik zelf beslissen en niet omwille van een blessure. Je bent aan de absolute top geweest – toen al had ik een Olympische medaille, een wereldtitel en x aantal Europese titels – en met de subtop kan je niet leven. Vijf maanden later was ik opnieuw Europees kampioen. Het was een lelijke finale, het leek nergens naar, maar ik was kampioen en had mijn plaats terug ingenomen. Ik heb die revalidatie niet geanalyseerd. Hoe meer je in de pot roert, hoe meer hij stinkt. Die nekblessure was een mijlpaal, een ijkmoment. Ik was opnieuw vertrokken met mijn carrière. Op zo’n momenten denk ik aan de raad die mijn vader altijd gaf: ‘Meisje, als je het niet ziet zitten, kruip in je bed, slaap eens goed en de volgende dag is er een nieuwe dag.’ Ik ben een paar keer door het oog van de naald gekropen.”

Zoals onlangs nog, toen je zwaar ten val kwam tijdens een skitrekking.
Vandecaveye:
“Ik wil graag leven tot mijn 120ste. Maar ik ga daarom nu niet leven met de rem op. Ik leef alsof elke dag mijn laatste dag is, aan 300 procent, ‘living on the edge’. Je moet alleen zorgen dat je aan de goede kant van de rand valt. En dat was onlangs niet zo toen ik mijn ribben brak tijdens die skitrekking in de Alpen. We trekken al 33 jaar in de bergen. Nooit iets meegemaakt, tot nu. Het was een zeer dom accident. Ik viel achterover door het gewicht van mijn rugzak en donderde naar beneden. Ik weet niet hoe diep ik gevallen ben. In een fractie van een seconde dacht ik ‘ok, dit is het dan’. En ik had daar vrede mee. Raar hè? Een fractie later lag ik tegen een boom, die mijn val heeft gestopt, met mijn rugzak als airbag. (laconiek) Het moet zijn dat mijn uur nog niet gekomen was. Op dat moment schakel je over in overlevingsmodus. Ik ben op eigen kracht naar boven geklauterd. Nadien heb ik gewoon verder geskied.  Pas een week later, een week voor de ‘Antwerp 10 Miles’, ben ik naar de dokter gegaan, omdat het niet beterde. Toen bleek dat ik enkele ribben had gekneusd en gebroken.”

Je leed als actieve judoka aan boulimie. Pas jaren na jouw carrière heb je dit in jouw biografie toegegeven. En ineens leek het alsof alles er uit moest. Je was plots heel open over je ziekte. Waarom? Een soort geheim dat je eindelijk mocht prijsgeven?
Vandecaveye:
“Het was een juk, ik worstelde er de hele tijd mee, het hing boven mij als een zwaard van Damocles. Als je in die topsportcarrière zit, is de schaamte te groot om er over te praten. Je moet het eerst herkennen en dan erkennen, in beschermde kring. Nadien moet je hulp zoeken voor dat probleem. Heel veel topsporters in gewichtsklassen of topsporters in duursporten hebben een eetprobleem: de berggeiten op de fiets, langeafstandslopers, triatleten, turners, balletdansers, judoka’s, boksers. Het hoort er bijna bij en dikwijls loopt het uit de hand. Vijf jaar na mijn afscheid zegt mijn trainer Eddy: ‘Zou je geen biografie schrijven? Je hebt toch veel te vertellen.’ Nog een biografie? Er zijn er al zoveel’, zei ik. Uiteindelijk stemde ik in. ‘Oké, we gaan het eerste autobiografisch duo-verhaal schrijven.’ In het boek staan zijn en mijn verhaal, in twee lettertypes. Zijn blik op het verhaal, als volwassen man, en mijn kinderlijke visie. ‘Maar’, zei ik aan Inge Van Meensel, de VRT-sportjournaliste die het boek heeft geschreven, ‘in een biografie vertel je normaal gezien alles.’ Als je dingen achterhoudt, moet je geen biografie schrijven, vind ik. Het is de bedoeling dat je iets nieuws schrijft dat nog niet in de krant heeft gestaan. Toen hebben we mijn eetprobleem besproken – Inge had wel al een vermoeden, als sportjournalist kent ze het reilen en zeilen achter de coulissen – en ze heeft er een mooi hoofdstuk over geschreven. Uiteindelijk ben ik blij dat ik het bekend heb, omdat dit een deel was van het genezingsproces. Het was afgerond. Toen en nu nog komen mensen naar mij: ‘Jij hebt het taboe doorbroken en het als eerste bespreekbaar gemaakt’.”

Eddy en jij zijn een ‘halsbrekend duo’ zoals de titel van de biografie luidt.
Vandecaveye:
(snel) “Ik heb dat gevonden. Het was dit of ‘hardnekkig duo’. Het is het eerste geworden, want ‘hardnekkig’ is een beetje pejoratief.”

Wat was de verhouding tussen Eddy, jij en bondscoach Jean-Marie Dedecker? Nogal wat mensen hebben mogelijk gedacht dat Dedecker jouw coach was, en niet Eddy.
Vandecaveye:
“Jean-Marie was op papier en in de praktijk de nationale coach. Hij boezemde ontzag in, iedereen had er schrik van – toch zeker in het begin, op het einde niet meer. (lacht) Hij was iemand die je kon prikkelen, het vuur in je aanwakkeren. Hij was ook de manager. En Sasja Jatskevitch was de nationale trainer. Mijn persoonlijke trainer was Eddy, en hij en Jean-Marie deden dit goed tezamen. Eddy stond in de schaduw van Jean-Marie, hij wilde niet in de spotlights staan. Eddy is 66 procent invalide aan zijn rug, daardoor had hij de klok rond tijd voor mij. Zo zijn wij gegroeid als duo. Als mens, als trainer-atleet, en nu na de carrière werken we nog altijd samen. Dat is uniek.”

Dedecker vertelde destijds hoe jammer en bijna schandalig hij het vond hoe weinig jullie als judoka’s in België verdienden.
Vandecaveye:
“Mocht ik met mijn palmares in Frankrijk of Japan geleefd hebben, was ik nu multimiljonair. Maar ja, we zijn een klein landje dat nog eens verdeeld is in drie landsgemeenschappen. Bij mij is dat geen frustratie, maar het is wel een feit. Er zijn voetballers die in vierde nationale meer verdienen dan judoka’s die Olympisch kampioen zijn. Maar goed, ik ga andermans rekening niet maken. Ik was en ben gelukkig. Als kleine zelfstandige nu ben ik geen grootverdiener. Maar het houdt me scherp en alert. Ik ben tevreden met wat ik heb, ik prijs me gelukkig. Ik ben ook niet materialistisch – dat is een voordeel. Het belangrijkste voor mij, het hoogste en onbetaalbare goed, is mijn zelfstandigheid, mijn vrijheid, mijn onafhankelijkheid. Ik ben zelf bedruipend, dat is voor mij voldoende. Jean-Marie Dedecker doet deze uitspraak ook vaak: ‘Mieux vaut mourir debout que vivre à genoux’. Ik leef liever rechtop en doe mijn eigen ding – zonder mezelf te verloochenen en mijn ziel te verkopen – dan op mijn knieën te sterven.”

 

POETIN EN DE DALAI LAMA

Als mensen jou vragen ‘Gella, wat doe je tegenwoordig?’ wat antwoord je hen dan?
Vandecaveye:
“Dan zeg ik hen ‘heb je enkele uurtjes?’ (lacht) Ik ben pr- en sportconsulent en vertegenwoordig producten en diensten die te maken hebben met een fitte levensfilosofie. Daarnaast doe ik onder andere mental coaching, ben ik frontvrouw van projecten en evenementen zoals Climbing Ladies Mont Blanc, de Hercules Trophy, Equilibre3 en HHP, geef ik getuigenissen over de raakvlakken tussen topsport en het bedrijfsleven, en breng ik reisvoorstellingen over mijn wereldreis. Ik doe alles, zolang ik mijn geloofwaardigheid niet verlies. Aan platte commerce ga ik mijn vingers niet verbranden. Er passeert elk jaar een trein, maar ik spring niet op elke trein.”
“Ik heb dankzij mijn sport van alles meegemaakt: bij het koningshuis geweest, in het buitenland gezeten, en heel veel andere kansen gekregen waar ik dankbaar om ben. En toen ik 31 was, zette ik een punt achter mijn carrière. Voor mij begon toen pas het normale leven. Terwijl anderen toen al een huisje, tuintje en zo voort hadden. Het klassieke verhaal – zonder te willen oordelen. Ik had al veel bagage meegekregen. Topsport is de universiteit van het leven, zeggen ze. Je leert er veel meer dan op de schoolbanken – inzichten, mensenkennis – en je leeft ook aan een hogere snelheid: euforie, tegenslagen, ambities, stress, druk, hoge verwachtingen, media. Niet dat ik rusteloos ben, maar regelmaat, middelmaat en routine zijn niet aan mij besteed. Maar mis ik de euforie van de topsporter: nee. Want ik moest er verdorie veel voor doen, en er veel voor opofferen. De keerzijde van de medaille zien de mensen niet. Ik verzorg mij nu beter dan toen ik topsporter was. Mijn lijf heeft het nodig. Oké, de carrosserie ziet er goed uit, maar de joint de culasse is versleten. Uiterlijk ziet het er goed uit. Mijn gewrichten, pezen, spieren en mijn drie hernia’s in mijn nek daarentegen… Ik moet me dus fit houden. Ook voor mezelf heb ik het nodig. Ik doe regelmatig nog recreatief aan sport, maar snelheden en tijden spelen geen belang. Eddy zegt dat sport mijn medicatie is. Ik zeg: ‘sport is mijn opium’. Opium is een drug. Ik ben niet verslaafd aan sport, maar ik heb het wel nodig, alleen niet meer zo fanatiek.”

Maar je zou niet zonder kunnen? Want dat is de definitie van een drug: ‘fysiek of mentaal niet meer zonder kunnen’.
Vandecaveye: “Als het moet, moet het. Mocht ik niet meer kunnen sporten, zou ik wel een alternatief vinden. Ik doe aan sport om zacht in het leven te staan. Een halfuurtje lopen, een beetje fietsen: zalig.”

Tijdens jouw wereldreis in 2009 en 2010 heb je onder meer de Russische president Poetin en de Dalai Lama persoonlijk ontmoet. Hoe ben je daar in geslaagd?
Vandecaveye:
“Op de laatste pagina van mijn biografie staat: ‘En nu doe ik de boeken toe – letterlijk – en ga ik op wereldreis.’ Daarna begint het reisboek. Een jaar op reis gaan was een jeugddroom. We zijn vertrokken net na de verkiezingen en teruggekomen net voor de verkiezingen. En de politieke crisis was nog altijd bezig. (lacht) Ik had ook in Moskou mijn judocarrière beëindigd. Op die plek de wereldreis aanvatten – met de Transsiberische express – was dus symbolisch. Misschien moet ik eens op de koffie – of op de wodka – bij Poetin, dacht ik. Poetin is ook een judoka. We hebben trouwens dezelfde graad. Toenmalig premier Yves Leterme, die een goede vriend is van ons, had zowel Poetin als de Dalai Lama al ontmoet. Ik had een brief geschreven. Alleen kan je dat niet, je moet zorgen dat dit via de juiste kanalen op het juiste bureau terecht komt. Leterme heeft een begeleidende brief gestuurd, een beetje diplomatiek lobbywerk zeg maar. En zo is het ook gegaan met de Dalai Lama.”

Je hebt een kort filmpje en fotomateriaal van jouw ontmoeting met Poetin. Waarover ging het tijdens het gesprek?
Vandecaveye:
“Het ging over de reis die we net waren gestart. Daarnaast hebben we gepraat over wielerploeg Katjoesja en Gazprom. En het ging over judo. Hij had een vriend verloren in het judo die gestorven was aan een nekwervel. Ik heb hem een judogordel gegeven, we hebben biografieën en een dvd uitgewisseld. Hij was geïnteresseerd, wist wie ik was en wat ik kwam doen. Maar de hartelijkheid ontbrak. Het was Russische norsheid. Ik zag geen emotie op zijn gezicht, alleen op het einde ontdooide hij wat maar toen moest ik door – ik zat gepland tussen de Iraanse president Ahmadinejad en de Chinese eerste minister. Bij de Dalai Lama daarentegen verliep alles zeer spontaan en minzaam. We hadden tien minuten gekregen en zijn uiteindelijk 25 minuten binnen geweest.  Die man maakt niet anders dan mopjes. Hij vroeg wat ik deed om gezond te blijven – hij had toen wat gezondheidsproblemen en stond elke dag om 5 uur op om te wandelen. ‘Ik ben geen Boeddhist’, heb ik hem verteld. ‘Geen probleem, daar gaat het niet om’, antwoordde hij. Die wijsheid, die eenvoud… Dat zit in zijn DNA. Hij betrok er ook mijn reisgezel bij. Het bezoek aan de Dalai Lama had in feite niets met de reis te maken, maar als ik één hoogtepunt moet noemen van de wereldreis is het deze gebeurtenis.”

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
Vandecaveye:
“’Ik lig hier tegen mijn goesting’.”

 

Beluister hier een kort interview-fragment met Gella Vandecaveye.

      1. Gella Vandecaveye

 

 

Pin It on Pinterest