Gemiddelde leestijd: 18 min

In 2018 gaat Daniël Termont met pensioen. De tweede beste burgemeester ter wereld groeide op in een woonwagen. De selfmade man wil er geen heldenverhaal van maken. Zijn carrière in de Gentse gemeentepolitiek vertaalt zich alleszins in veel (reis)verhalen, een megagroot netwerk en een goddelijke status. Maar buiten het partijbestuur zag je hem niet in Brussel. Consequent weigerde Termont steeds een cumul. “Het partijvoorzitterschap was het enige waar ik echt sterk aan getwijfeld heb.”

Trots toont Termont de boeken die op zijn bureau liggen: ‘The Power People’ van Gentenaar Ivan De Vadder en ‘De Japanse Minnaar’ van de Chileense Isabel Allende, naar aanleiding van haar komst naar de Arteveldestad. Daniël Termont: “Ik kan u verzekeren: er ligt een hele stapel die ik dringend moet lezen, maar ik moet daar de tijd voor hebben.” Termont zit in zijn tweede en laatste termijn als burgemeester. Zijn pensioen lonkt. In 2007 volgde Daniël Termont de immer populaire burgemeester en partijgenoot Frank Beke op. Hij herinnert zich nog helder de reacties toen hij werd aangekondigd als lijsttrekker. ‘Termont toch niet zeg, alstublieft! Die lompe ziel die op café zit.’ “Natuurlijk had ik als havenschepen enige sérieux. Tegelijk was ik ook schepen van Feestelijkheden, ik kon goed liedjes zingen en op het podium de zot uithangen.”

De ideale combinatie eigenlijk.
Termont:
”Ja, maar voor veel mensen niet. De wetenschappelijke wereld trok zijn neus op: Frank Beke was zeer erudiet, ik heb niet eens een universitair diploma. De raad die Frank mij de eerste dagen gaf, was: ‘Je moet gewoon jezelf blijven.’ Ik heb hard gewerkt en ben mezelf gebleven. Ik heb het geluk om overal en met iedereen te kunnen omgaan. Ik ga op café met de dokwerkers, ik ken die mannen. Tegelijk tutoyeer ik de topman van ArcelorMittal. De koning en de koningin benaderden me zelfs persoonlijk toen ik ziek was.”

Je opvolger zal het dus niet gemakkelijk hebben.
Termont:
“Ja, dat is waar. Als men mij belt en het is dringend, dan maak ik tijd. Als dat van hem of haar ook verwacht wordt, zal dat enige discipline vergen. Ik ben bovendien overal welkom. Als vrijzinnige ga ik naar katholieke kringen, ik krijg applaus als ik binnenkom. Met de bisschop ben ik zelfs persoonlijk bevriend. Moskeeën, het Liberaal Archief… Ik ga daar allemaal naar toe.”

Je overstijgt je partij.
Termont:
“Ja, je moet dat doen als burgemeester. Bij Unizo en Voka word ik gevraagd om te spreken, het zijn nochtans niet mijn politieke vrienden. Ik heb mijn persoonlijk gedrag moeten wijzigen, ik ben toleranter geworden. Vroeger ging ik nooit naar de kerk, ik heb dat moeten overwinnen.”

Even geleden ben je geopereerd vanwege darmkanker. Hoe gaat het nu met je?
Termont: “
Momenteel heb ik zeven van de twaalf chemokuren achter de rug. (Het interview werd begin oktober afgenomen, red.) Ik ben één van de weinige uitzonderingen die er geen last van heeft. Ik voel me heel goed en ik kan voltijds werken.”

Ben je blijven werken?
Termont:
“Na de operatie heb ik natuurlijk moeten herstellen. De kankertumor en een stuk van mijn darmen werden weggeknipt. Na tweeënhalve week geraakte ik goed gerecupereerd en ging ik terug aan de slag. De week nadien ben ik begonnen aan de chemo. Om de veertien dagen kan ik drie dagen niet buiten. Eén dag zit ik voor de chemo in de kliniek aan een baxter. De andere twee dagen krijg ik een pompje chemo mee. Ik kan daar niet mee over straat lopen, maar ik kan dan wel van thuis uit werken.”

Je hele leven heb je hard gewerkt. Is die darmkanker de tol die je daarvoor moet betalen?
Termont:
“Helemaal niet. Ik heb dat ook aan de dokter gevraagd. Sommige mensen zijn geweldig sportief, roken niet en eten gezond. Zij kunnen dat ook krijgen, dikwijls nog op jongere leeftijd. Nee, men kan echt niet weten wat de oorzaak is.”

Je zei al vroeg tegen je vrouw: ‘Schrik niet als ik niet ouder word dan veertig.
Termont: “Ik heb altijd geleefd als een kaars die aan twee kanten brandt. Het uitgaan is fel verminderd met het ouder worden, maar als jonge gast ging ik veel uit en ik amuseerde mij graag. Ik werkte ook keihard. Sommige nachten sliep ik slechts twee, drie uur. Ik leefde en leef nog altijd aan een ongelofelijk tempo. Dat zit in mij. Toch kan ik ook rustig zijn. De dagen wanneer ik verplicht thuis moet zijn voor de chemo, zijn voor mij heel rustig. Ik kan daar enorm van genieten. Veel mensen zeggen me: ‘Jij bent een workaholic.’ Eigenlijk vind ik van niet: ik ben heel graag lui. Velen schrikken daar van omdat ik zo druk bezig ben.”

Je vindt het jammer dat je niet vaker lui kan zijn?
Termont: “Soms wel. Ik heb de tijd niet om lui te zijn. De opgelegde chemo is voor mij nu wel een goede regelmaat. Ik heb vorige week dagen gehad waarbij ik om half acht mijn eerste afspraak had en de gemeenteraad nog tot één uur duurde. Ondanks die chemo kan ik dat allemaal aan. Ik ben heel voorzichtig begonnen en nu zit ik weer in het tempo van voordien. Mijn dokter zegt: ‘Je moet vooral naar je lichaam luisteren.’ Dat doe ik. Soms val ik vrijdagavond in slaap omdat ik de hele week hard gewerkt heb, maar mijn ziekte hindert me niet om al mijn activiteiten te doen. Ik denk ook dat het met mentaliteit te maken heeft. Je kan zitten treuren, maar ik heb daar geen tijd voor. Ik vecht om te genezen.”

 

 

‘IK MOEIDE MIJ MET ALLES’

Van jongs af aan ben je quasi altijd zeven op zeven bezig geweest.
Termont: “Ik heb een formidabele jeugd gehad: we speelden voetbal, we vingen kikkers… Ik was nog maar tien jaar en reed al rond met de vrachtwagen op het erf van mijn ouders, je kan het je niet voorstellen. In die tijd heb ik mij dus niet doodgewerkt. Als kind werkte ik eigenlijk niet graag. Mijn moeder werkte in een textielfabriek. Mijn vader en mijn grootvader verkochten tweedehandsspullen. Ze schakelden mij soms in. De openbare verkoop op de Vrijdagmarkt in Antwerpen, dat deed ik dan wel graag. Daar werden faillissementen verkocht. Mijn vader en grootvader waren eigenlijk de twee sterkste commerçanten en kochten bijna alles: een hele camion vol. In de namiddag kwamen we thuis en losten we dat. Ik heb dat allemaal mogen en kunnen meemaken, dat is een ongelofelijke rijkdom. Ik groeide op in een typische arbeiderswijk waar je letterlijk en figuurlijk al vechtend groot werd. Ik ben aan het Rabot naar school geweest, ook aan de Brugse Poort. Uit zulke buurten kom ik, ik ken die nerven van de stad. Ik heb het ook allemaal zien evolueren. Ik ben groot geworden in een woonwagen. Toen ik een jaar of drie was, hebben mijn ouders een huis gebouwd. Mijn moeder wilde niet dat ze in het lager onderwijs over mij zouden zeggen: ‘Het is een kleine uit de wagens.’ Dat gold als het crapuul van de straat. Rond mijn vierde zijn we dan in een huis gaan wonen. Mijn ouders waren zeer jong en ambitieus, ze wilden ook voor zichzelf een toekomst opbouwen. Op mijn zestiende hebben ze een winkel geopend, zo hebben zij zich opgewerkt als kleine zelfstandigen. Ik heb een zus die zestien jaar jonger is dan mij. Zij heeft die eerste periode eigenlijk niet meegemaakt.”

Jean-Marie Pfaff groeide ook op in woonwagen. Hij verpakt het als een zero-to-hero-verhaal. Geldt dat ook voor jou?
Termont:
“Nee, ik zou daarin niet overdrijven. Laat ons zeggen dat ik door een samenloop van omstandigheden misschien ook geluk gehad heb in mijn leven. Door zo’n vader en moeder heb ik bovendien een sterk karakter gekregen. Ik ben geen verschrikkelijk goede student geweest, maar ik heb nooit een jaar gedubbeld. Ik was goed in wiskunde en volgde boekhouden, eigenlijk op aangeven van mijn grootmoeder. Zij zei: ‘Manneke, ga naar ’t school, zodat je met propere handen kan werken.’ Heel mijn familie werkte létterlijk ‘in het zwart’, ze maakten hun handen vuil. Terzelfdertijd hadden mijn ouders geen zicht op hun financiële situatie, ze wisten niet hoe ver ze konden gaan in hun investeringen. Het was helemaal in handen van de boekhouder. ‘Zorg daarom dat je zelf kan boekhouden en weet waarmee je bezig bent’, zeiden ze me. Ik wilde de zaak overnemen. Mijn pa was een crème van een vent – spijtig dat hij er nu niet meer is – maar met je vader werken, dat is toch altijd discussie. Hij stelde voor om de zaken te verdelen: ik mocht het oud ijzer doen. Hij had ook al een kleine camion met een kraan gekocht voor mij. Die was net geleverd nadat ik mijn legerdienst gedaan had. Toen kreeg ik een ander aanbod. In mijn hobby was ik namelijk monitor bij de MJA – de jeugdbeweging van de socialistische mutualiteit – ik begeleidde groepen en reizen, ik was eveneens voorzitter van het jeugdhuis. Daarom werd ik gevraagd om dat als job te nemen, gecombineerd met een functie als propagandist. Ik was toen negentien jaar. Eigenlijk wilde ik de zaak van mijn ouders overnemen, zeker na alle inspanningen van mijn vader. Tegelijk klopte mijn hart om van mijn hobby mijn werk te maken. ‘Kies jij zelf maar’, zei mijn vader heel nuchter. Hij zag dat mijn hart daar lag en heeft de vrachtwagen na zes maanden dan ook maar verkocht. Ik heb mijn job zeer graag gedaan. Sindsdien was ik nooit meer thuis. Ieder weekend waren wij op kadervorming of zaten wij in jeugdhuizen. Er was altijd iets te doen. Was de jeugd vrij, dan moesten wij animatie geven. Ik was verantwoordelijk voor het arrondissement Gent-Eeklo: dat waren 28 gemeenten. Ik moest van de één naar de ander om jeugdclubs op te richten, dat lukte behoorlijk. Als propagandist was ik ook verantwoordelijk voor de organisatie van alle vakanties; voor kinderen, jongeren, families… Ik heb grote delen van de wereld gezien: Thailand, Mexico, Indonesië… Zeer mooie reizen, los van mijn vele vakanties binnen Europa. Op een bepaald ogenblik besliste de socialistische mutualiteit om een oud kasteel in Astene, domein Anseele, om te bouwen tot een vakantiecentrum, eigenlijk een hersteloord voor zieke patiënten. Dat was een paradijs: een prachtig park waar wij voordien ’s weekends mochten spelen en kadervorming gaven. Voor dat vakantiepark zochten ze nog een directeur en daarvoor hadden ze mij benaderd. Ik was een jaar of dertig: jeugdwerk was schitterend, maar ik wilde het niet mijn heel leven blijven doen.”

Sinds je drieëntwintigste zetelde je in de gemeenteraad. Is politiek via de vereniging in je leven geslopen?
Termont:
“Ja. Op mijn veertiende was ik eigenlijk nog niet weggeweest van thuis. Mijn vakanties waren ongelofelijk tof. We hadden zelfs ons eigen voetbalveld: een paradijs. Als kleine gast heb ik enorm veel dingen meegemaakt. Ik was nog geen tien jaar en ik kreeg van mijn grootvader een Fiat, zo eentje waar de deur vooraan openging. Ik heb een fantastische jeugd gehad: ik had geen goesting om weg te gaan. Mijn moeder stelde me toch eens voor om mee te gaan met de jeugdbeweging van de socialistische mutualiteit. Mijn ouders waren totaal niet politiek geëngageerd. Wel was de vader van mijn moeder als dokwerker syndicaal afgevaardigde van het ABVV. Eerst wuifde ik het voorstel van mijn moeder weg, maar toen ik eens meeging naar Zwitserland, heb ik me er rot geamuseerd. Het jaar nadien zat ik op de kadervorming en later op de vorming om monitor te worden. Het jaar daarop mocht ik al de jongste groepen begeleiden. Door daar actief te zijn ben ik automatisch lid geworden van de jongsocialisten. Op mijn zestiende was ik al voorzitter van de jongsocialisten van Mariakerke, omdat ik mij met alles moeide. Dat heeft altijd in mij gezeten. Op mijn zeventiende was ik voorzitter van de BSP-afdeling (Belgische Socialistische Partij, red.) van Mariakerke. Toen zat ik in de politiek, maar nog niet op de lijst: indertijd moest je daarvoor 21 jaar zijn.”

Je jonge jaren, je jeugdwerk: je blikt er nogal sentimenteel op terug.
Termont: “Dat jeugdwerk… Ik heb geen universiteit gedaan, maar die MJA is voor mij de universiteit van het leven geweest. Je leert spreken voor groepen, je leert met mensen omgaan. In plezante, maar ook in triestige situaties. Je moest steeds je verantwoordelijkheid en de leiding nemen. Dat heeft, durf ik toch wel te zeggen, een sterke persoonlijkheid van mij gemaakt.”

Eigenlijk ben je sindsdien niet meer gestopt met praten.
Termont:
“Wel, je moet ook veel kunnen luisteren. Wat ik ook veel gedaan heb, is bijgestudeerd. Wat ik niet verstond, las ik totdat ik het begreep. Ik ging niet weg vooraleer ik wist waarover het ging. Ik heb vaak uitleg gevraagd en me dikwijls belachelijk gevoeld, maar alleen op die manier leer je bij. Gilbert Temmerman (oud-burgemeester van Gent, red.) was zowat mijn voorbeeld. Hij werkte nog als letterzetter in de Vooruit en die moeilijke energiedossiers kende hij door en door. Ik dacht: als hij niet gestudeerd had, moest ik dat ook kunnen. Van jongs af aan ben ik die dossiers dus ook gaan volgen. Ik wil daar niet in overdrijven, maar ik ben toch een van de energiespecialisten bij ons in de partij. (fier) Men kijkt op naar mij, ook internationaal.”

Had je ook bij een andere partij kunnen zitten?
Termont: “Het had anders kunnen zijn. Op mijn vijftiende had ik een liefje, zij was actief bij de liberalen. Ik ging met haar mee naar de feestjes van de PVV jongeren. Die van ons waren in het café er schuin tegenover. Op een bepaald moment heb ik moeten kiezen: de socialisten of het vriendinnetje bij de liberalen? Voor mij was de keuze vrij snel gemaakt. Ze zeggen dat het over ideologie gaat, voor mij ging dat over die sociale ingesteldheid voor de zwakkeren die ik wél terugvond bij de BSP. De vrijheid van het liberalisme trok me aan, maar niet dat het enkel vrijheid en blijheid is voor diegenen die het zich kunnen permitteren en dat de rest maar zijn plan moet trekken. Dat was een hele bewuste keuze. Ik ben op mijn zestiende ook Marx beginnen lezen. Ik heb veel tijd gestoken in die ideologische basis. Als je mijn ouders bezig hoorde als kleine zelfstandigen, waren zij eigenlijk liberalen. Natuurlijk hebben ze me gesteund. Mijn vader heeft vanaf de eerste verkiezingen keihard gewerkt voor mijn campagnes.”

 

 

LINKS LULLEN, RECHTS ZAKKEN VULLEN

Je kan zowel de taal van het volk spreken als speechen voor een zaal vol ondernemers. Het is weinigen gegeven, jij doet het.
Termont: “Ja, ik heb dat geluk en ook die samenloop van omstandigheden. Ik kom uit een sociale omgeving. Ik spreek uiteraard Gents en ook het platte dialect van de Muide van de Brugse Poort. Tegelijk nodigen het Koninklijk Paleis en bedrijfsleiders mij uit. Ik lees mijn dossiers, ik weet waarmee ik bezig ben en ik ben handig: ik kan met iedereen praten.”

Socialisten hebben het niet zo op kapitalisten. Moet je dan tegenover ondernemers extra je best doen?
Termont: “Wel, al mijn mandaten zijn publiek. Ik ben al veel aangezocht geweest, heel vaak ook voor zeer interessante mandaten in de privésector en ik heb dat altijd geweigerd. Ik wil dat niet cumuleren. Hoe komt dat? Ik heb enorm veel geleerd als directeur van vakantiecentrum De Ceder, maar ook zeer veel als havenschepen in internationale business. Met al die patroons in de haven heb ik een uitstekende relatie. Ons einddoel verschilt weliswaar: bedrijven moeten van hun aandeelhouders veel winst maken. Mijn bedoeling is: tewerkstelling creëren en voor toegevoegde waarde in de regio zorgen. Dus in feite zijn we bondgenoten: samen gingen we voor de groei van de economie. Een van de dingen waar ik heel fier op ben – behalve de bouw van de Ghelamco Arena – is de groei van Volvo Cars.”

Is het daarom dat je die periode als schepen van de Haven de mooiste van je leven vindt?
Termont:
“Ja, ook omdat ik daardoor heel de wereld gezien heb, maar op een andere manier: niet als toerist. Voor zakenreizen leer je op een totaal andere manier die landen kennen. Het gaf me een ongelofelijke rijkdom, ik heb er persoonlijk ook het meest van genoten. Nu heb ik zeker nog mooie momenten in mijn job als burgemeester. Maar toen de partij in aanloop naar mijn eerste ambtstermijn me vroeg om lijsttrekker te worden, had ik gezegd dat ik eigenlijk liever schepen van Haven wilde blijven. Door al die reizen heb ik een ongelofelijke adresboek. Noem mij een land of een stad en ik zal je zeggen wie ik daar ken. Ik ben zelfs ereburger van de hoofdstad van Paraguay. Als je op zo’n dingen kan terugblikken, vlak voor je pensioen, dan is dat toch een formidabele carrière die ik gemaakt heb.”

Zulke ervaringen moet je af en toe toch missen?
Termont:
“Ja, dikwijls. Ik heb veel vrienden die regelmatig naar Gent komen. Ik krijg honderden uitnodigingen voor huwelijksfeesten in Paraguay, Bolivia, Chili. Als ik later tijd zal hebben en hopelijk nog een goede gezondheid, dan ga ik mijn vrienden daar weer opzoeken. Ik heb enorm veel gezien in Zuid-Amerika. In Brazilië ben ik wel dertig keer geweest. Op een bepaald ogenblik waren we veertien dagen naar Zuid-Amerika voor een rondreis. In Chili, een zeer katholiek land, wilden ze tijdens het paasweekend niet werken. We hebben dan van de gelegenheid gebruik gemaakt om privé een dag of drie naar het zuiden te gaan. Daar hebben we schitterende dingen gezien, die je anders niet zou zien. Privé kan ik niet naar de andere kant van de wereld vliegen. Die periode als havenschepen was voor mij dus bijzonder boeiend. Ik reis zeer graag en praat graag met mensen van andere culturen. Ik heb nooit talen gestudeerd, maar ik kan mijn plan trekken in zes talen.”

Je hebt geen kinderen. Dat was een bewuste keuze.
Termont: “Ja, we hebben daar beiden geen spijt van. In de periode waarin we de leeftijd hadden om kinderen te kunnen krijgen, was er de energiecrisis in de tweede helft van de jaren 70. Het waren moeilijke tijden voor ons land en we waren niet optimistisch. De hoofdreden is wel dat de mogelijkheid bestond dat ik de ziekte van Huntington zou kunnen hebbenEen ernstige ziekte waardoor je hersenen veel sneller afsterven dan je lichaam. Het is erfelijk. De vader van mijn moeder is daar aan gestorven. Haar broer, haar zuster en kinderen daarvan ook. Het is een Russische roulette: er is altijd 50 procent kans dat je het doorgeeft. Ik heb gezien hoe erg die ziekte is. Hoe fel de familie en vooral de partner daaronder lijdt. Pas later, toen we definitief beslisten om geen kinderen te hebben, werd ontdekt dat je het kunt laten onderzoeken. Ik heb het nooit gedaan. Mijn nicht wel en zij bleek die ziekte niet te hebben.”

Vind je kinderen geen gemis?
Termont:
“Nee. Mijn vrouw was zeer actief in de zwemsport en ik was ’s avonds en in de weekends altijd weg. We hebben wel altijd vanuit de familie veel kinderen over de vloer gekregen, dat geluk hebben we gehad. Het grote voordeel is: als ze ambetant zijn, kan je ze naar huis sturen. Je kan ook plannen wanneer ze kunnen komen. Ik zie zeer graag kinderen. Een van de tofste dingen die ik doe is naar scholen gaan. Na het nieuws van mijn ziekte heb ik ook massaal veel kindertekeningen gekregen, dat vond ik heel tof.”

Even terug naar je schepenambt. Je deed er veel zaken. Wat vind je eigenlijk van de uitdrukking: links lullen, rechts zakken vullen? Raakt jou dat persoonlijk?
Termont:
“Ja, dat raakt mij. Ik werk zeven dagen per week de naad uit mijn broek voor de gemeenschap. Toen ik schepen van Economie was, had ik zo’n 36 mandaten. Die mandaten, dat is: voorzitter zijn van een tennisclub, van een buurthuis…”

 

 

EEN PAAR KEER BIJNA DOOD GEWEEST

Maar ‘socialist’ is bijna een scheldwoord geworden…
Termont:
“Dat is natuurlijk door de N-VA die dat spel speelt. Ik ben in ieder geval radicaal tegen een cumul. Ik ben twee keer verkozen geweest in het parlement, telkens heb ik mijn zetel geweigerd: ik wilde niet cumuleren als burgemeester. Had ik dat wel gedaan, had ik veel meer verdiend en had ik bij wijze van spreken een veel beter leven gehad. Maar ik beklaag het mij niet, het is een eigen keuze.”

Je zal wel nooit weten hoe goed je in de nationale politiek geweest zou zijn…
Termont:
“Ik heb van in het begin gezegd: dat parlement interesseert me niet. Ik zal u zeggen: in de verkiezingen van 2009 heeft mijn partij me uitdrukkelijk gevraagd om van alles te doen. Ik was verkozen, men vroeg mij om effectief te zetelen. Ik wilde dat niet. Ze zouden me zelfs fractieleider maken. Nog meer werk, dat wilde ik al helemaal niet. Dan hebben ze mij gevraagd: ‘Zou je geen minister willen worden? Je mag minister van Economie worden.’ Ik zei: ‘Nee, laat mij burgemeester blijven.’ Ze vroegen mij ook twee, drie keer om partijvoorzitter te worden, voor verschillende verkiezingen. Ik twijfelde even om Caroline Gennez op te volgen. Ook nu, na de verkiezingsnederlaag, drong men aan: ‘Jij bent diegene die de partij zou moeten leiden.’ Ik vond dat een eer. Ik ben mijn partij zo dankbaar dat ik er lang aan getwijfeld heb. Uiteindelijk heb ik het niet gedaan.”

Waarom niet?
Termont:
“Wel, het is het een of het ander: je kan niet twee fulltime jobs goed doen.”

Vanwaar dan die twijfel?
Termont:
“Mijn hart ligt bij die partij, heel mijn carrière heb ik er aan te danken. Ik wil voor die partij iets terugdoen. We zaten ook in een diepe crisis. Veel van de zogenaamde oude krokodillen hadden me aangespoord: ‘Daniël, doe dat. Jij bent de man die dat een aantal jaren moet doen: jij gaat die partij er kunnen uittrekken.’ Dan deed het pijn om nee te zeggen, omdat ik dan zeg: ‘Ga ik daar wel in slagen? De manier van politiek die we met de sp.a in Gent bedrijven, gaat dat aanslaan in Vlaanderen?’ Daar was ik niet zeker van. Mocht ik daar zeker van zijn, zou ik het waarschijnlijk wel gedaan hebben. Maar dan zou ik mijn job als burgemeester weer niet 100 procent kunnen doen en dat vind ik niet eerlijk tegenover die 44.561 mensen die voor mij gekozen hebben. Dat was dus een hartverscheurende keuze voor mij. Minister worden was geen keuze voor mij. Het parlement al zeker niet, het partijvoorzitterschap was het enige waar ik echt sterk aan getwijfeld heb.”

Waarom zou je Vlaanderen niet even goed kunnen besturen als Gent? Je bent toch verkozen als tweede beste burgemeester ter wereld.
Termont:
“Ja, maar het is niet dat als je biljartkampioen bent, dat je daarom een even goede voetballist bent.”

Je zei toch al eerder dat je een goede minister of zelfs premier zou kunnen zijn.
Termont:
“Ja, ik wil daar niet vals bescheiden in zijn, maar mocht ik morgen minister-president zijn of premier, dat zou ik wel kunnen. Daar ben ik van overtuigd. Maar… Ik ga u zeggen: parlementair gezien kan je bijna niets realiseren, laat ons eerlijk zijn. Om backbencher te zijn, in de marge wat wetteksten te bediscussiëren, daar had ik geen goesting in. Vooral niet als je een mandaat hebt als burgemeester van de tweede grootste stad van het land. Burgemeester is waarschijnlijk het schoonste politieke beroep dat er bestaat. Als ik nu zeg: ‘ik ga dat doen’, dan is dat morgen gedaan. De politique politicienne die in Brussel gevoerd wordt, is niet zoals lokale politiek. Wij hebben nu weer de hele namiddag samengezeten om beleidskeuzes te maken. Op een goede manier, zelfs al maken we ruzie. We gaan buiten en blijven vrienden. In een regering zie ik dat niet gebeuren.”

Je partij zat in een diepe crisis, speelde dat ook mee?
Termont:
“Ja, ten tijde van Bruno Tobback heb ik het meest getwijfeld. Grote kleppers hadden me gebeld om te zeggen dat ik mijn kandidatuur moest stellen. Ik heb lang getwijfeld en veel goede vrienden in het Gentse geraadpleegd. Ik kreeg het voorstel om een soort overgangspaus te worden voor drie à vier jaar om de partij weer op de rails te zetten. Maar toen ik John Crombez gesproken had en hij bereid was om dat te doen, steunde ik hem honderd procent. Dan kan ik evengoed meewerken, wat ik nu ook doe. Ik heb dat lachend gezegd, maar dat is ook zo: ik had de indruk dat er in Brussel de afgelopen jaren niet naar mij geluisterd werd. John doet dat nu wel. Hij belt me regelmatig om te overleggen.”

Even tussendoor: wat zijn eigenlijk jouw mindere karaktertrekken?
Termont:
“Ik ben verschrikkelijk ongeduldig: het moet allemaal rap vooruit gaan.”

In je boek ‘Daniël Termont: mijn leven, mijn Gent en mijn visie op de toekomst’ stond ook dat je rancuneus kon zijn.
Termont:
“Dat zei Marc Lootens (partijgenoot en gewezen provincie- en gemeenteraadslid, red.). Ik vind dat onterecht, ik heb hem dat ook gezegd. Ik vergeet en vergeef rap hoor, maar ik zal daarom niemand gaan opzoeken. Ik ben niet vergeten wat Lootens over mij gezegd heeft, maar voor mij is dat geen middel om niet meer tegen hem te spreken of hem te pesten. Het heeft mij wel pijn gedaan, ja.”

Je hebt je ook altijd tegen extreemrechts gekant. Zit daar een specifieke reden achter?
Termont:
“Ja, natuurlijk: omdat dat ongelofelijk gevaarlijk is. Als je kijkt naar het Vlaams Belang en meer en meer naar de uitspraken van de N-VA, vergelijk dat maar… Ik wil niet overdrijven hoor, ik ben ook niet de enige die dat zegt.”

Er zit geen persoonlijke reden achter, zoals bij Patrick Dewael?
Termont: “Nee, nee: het is puur ideologisch. Ik vind het heel gevaarlijk dat onze democratie op de helling wordt gezet door sommige uitspraken. Ook de overwinning van de N-VA in Antwerpen, de mars naar het stadhuis – misschien ben ik er persoonlijk zo gevoelig aan – maar dat deed mij aan fascisme denken.”

En je gaat dat blijven zeggen? Je zal er geen kiezers mee winnen.
Termont:
“Nee, maar ik hoop dat ze nu eens goed kijken wat voor politiek ze voeren. Ik stel vast dat de N-VA op dat vlak geweldig naar rechts is opgeschoven. Ze veroorloven zich nu nog meer en meer rechtse praat, omdat ze zien dat ze bij de laatste peiling opnieuw kiezers verliezen aan Vlaams Belang. Toen we in 2009 met N-VA in de regering gestapt zijn, was ik aangenaam verrast van de N-VA en over de manier waarop we konden samenwerken. ‘Dat belooft voor de toekomst’, zei ik toen. Maar ze zijn veel rechtser geworden.”

Iets anders. Heb je eigenlijk hobby’s?
Termont:
“Ja, absoluut. Ik kijk er al naar uit wanneer ik op pensioen ben om een aantal dingen te kunnen doen. Wat ik regelmatig doe is fietsen. Zondag ben ik weer 30km gaan fietsen, ik ga met de fiets naar het voetbal; ik fiets zeer graag. Ik lees ook ontzettend graag en kijk zeer graag naar films. Ik heb mij ook een occasie piano gekocht, ik zou heel graag piano willen leren spelen. Skiën doe ik ook heel graag en goed, je zou het nochtans niet zeggen gezien mijn fysionomie. Naar het theater zou ik ook meer willen gaan. Ik vind zo veel dingen leuk, maar ik ga niet genoeg tijd vinden voor al wat ik graag doe.”

Normaal zou je naar eigen zeggen op je veertigste al dood zijn geweest.
Termont:
“Ik zei dat op mijn twintigste. Een paar keer ben ik bijna dood geweest. Wat ik mij nog herinner als jonge gast: na een TD wachtte ik al rokend op de bus. Ik juichte omdat de bus aankwam, maar mijn aansteker viel uit mijn jas. Ik sprong nog net voor de bus om die aansteker te op te rapen. Als kind ben ik ook eens bijna verdronken. Voor wat ik allemaal heb meegemaakt, ga ik een tweede boek moeten schrijven. In een bar heb ik eens een pistool tegen mijn voorhoofd gehad. In Jemen is er ook boven ons hoofd geschoten geweest. Dat was tijdens een gevaarlijke rondreis, we wisten dat op voorhand. Dat verhaal op zich is al een boek waard. Eigenlijk had ik een dagboek moeten bijhouden van mijn hele leven. Daar heb ik nu spijt van. Ik heb er helaas nooit tijd voor gehad. Ik moest altijd gejaagd zijn. Als ik nu nog droom, droom ik soms dat ik mijn vliegtuig mis, wat al gebeurd is.”

Wat mogen we op je grafzerk schrijven?
Termont:
“Niets, er zal geen grafzerk zijn. Ik zal verbrand worden en verstrooid worden. Ik heb mijn vrouw al gezegd: ‘Geen plechtigheden, geen feestelijkheden.’ Men moet niet treuren, ik heb zo’n mooi leven gehad. Ik heb ook niet echt een leuze over mezelf. Ik vind het flauw om zoiets over jezelf te zeggen. Wat ik wel weet: ik heb mijn ouders, mijn vrouw, mijn familie verwaarloosd. Heel mijn leven heb ik namelijk in functie gestaan van de gemeenschap, waar ik ook veel van heb teruggekregen.”

 

 

Foto’s James Arthur.

Pin It on Pinterest