DIRK_DRAULANS_003

Gemiddelde leestijd: 17 min

Vlaanderens bekendste bioloog joeg een academische carrière na, maar belandde per ongeluk in de journalistiek en trok ter correspondentie ten oorlog. Ook aan het front spotte hij vogels. Zelf trok hij in azende media aandacht met zijn privéleven. Draulans heeft drie kinderen bij evenveel vrouwen. Op zijn rustige zelf straalt de darwinist vooral dank uit. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik voor het geluk geboren ben.’

Al enkele jaren woont de Knack-redacteur in de Doelse Schelde-omgeving, vlak bij de immer uitdijende havenvlakte. Dit conflictlandschap speelt de hoofdrol in Draulans’ natuurdagboek ‘In de Putten’. Daarin beschrijft de wetenschapsjournalist het verhaal van hoe mens en natuur elkaar helpen of voor de voeten lopen. De vogelkijkplaats waar we afspreken schetst de tweespalt. Aan de ene kant het havenimperium, aan de andere kant een natuurcompensatiegebied. Om de natuur te beschermen deed Draulans destijds zelf enkele activistische interventies. Dirk Draulans: “Ik heb ooit illegale weekendhuizen afgebroken, op het punt gestaan om een bulldozer te saboteren, vogelvangnetten vernield… Allemaal uit overtuiging. We hadden daarvoor wel eens getelefoneerd of brieven geschreven… Maar niemand bougeerde. Op een gegeven moment werden we dat beu en braken we dat zelf allemaal af.”

Onderweg naar zijn geliefde vogelspotplaats laat Draulans zijn auto uit ecologische overwegingen meestal thuis. Vogels spotten doet hij ook tijdens het interview. De kijkwand in het natuurgebied Doelpolder Noord is zijn natuurlijke biotoop. “Ik ben niet alleen bioloog van opleiding; ik ben ook een natuur- en vooral vogelliefhebber. Al van kinds af aan. Nochtans waren er geen antecedenten in mijn familie. Ik beschouw het als een genetische afwijking. Mijn vader was kernenergie-ingenieur en heeft nooit begrepen dat zijn zoon zich daarmee bezighoudt. Vogels spotten ontspant me ook als het op professioneel vlak wat over mijn hoofd groeit.”

Je hebt een doctoraat geschreven over vogels. Hoe kwam je erbij om je hobby een professionele wending te geven?
Draulans:
 “Bij mijn vader is er altijd twijfel geweest over mijn toekomstmogelijkheden. Ik volgde Latijn-Grieks. Mijn vader spoorde me aan om een voorbereidend jaar wiskunde te volgen om nog voor ingenieur te kunnen studeren. Dat zag ik totaal niet zitten. Als er één ding was waarvoor ik geen talent had, was het wiskunde. Mijn vader deed dan enkele pogingen om me richting veearts te sturen. Finaal heb ik me toch ingeschreven voor wat ik altijd al dacht te willen doen. Ik heb dat eigenlijk nooit in twijfel gesteld. Vroeger was ik nog veel meer met de natuur bezig dan nu. Ik was altijd buiten. Altijd. Toch was er ook ongerustheid om bioloog te worden. Ik heb zelfs mijn diploma aggregaat nooit gehaald: daardoor kon ik niet lesgeven. Dat was voor een bioloog de meest voor de hand liggende optie. Maar ik wou eigenlijk binnen het onderzoeksveld blijven.”

DIRK_DRAULANS_001

VREEMDE EEND

En dan duik je de wetenschap in als onderzoeker.
Draulans: “
Ja, dat is vanzelf gekomen. Ik haalde goede punten en maakte ook een goede thesis, over vogels natuurlijk. Ik kreeg dan meteen de mogelijkheid om te doctoreren en toen is het allemaal snel gegaan.”

Was je een strever?
Draulans: “
Nee, nooit geweest. Ik deed het gewoon graag.”

Hoe verliep het in de wereld van de wetenschap?
Draulans: “Plezant hé. Ik heb vier jaar niets anders gedaan dan buiten rond te lopen en naar blauwe reigers te kijken. Ik deed dus wat ik het liefst van al doe.”

Je was geen bureaubioloog.
Draulans: (lacht) “Nee. Soms krijg ik vragen van jonge mensen die biologie willen studeren, of er toekomst in zit. Je voelt dan dat de meesten geïnteresseerd zijn in hard wetenschappelijk onderzoek, met proefdieren in laboratoria. Vorig jaar heb ik voor Canvas een nogal spraakmakende documentaire gedraaid over het proefdierengebruik in de medische wereld in België. Dat onderzoek zelf…. Ik denk dat ik dat nooit had kunnen doen. Dat is heel veel routinewerk. Dit uiteindelijk ook, maar hier kan ieder moment een visarend, mijn lievelingsdier, of een purperreiger over komen: je hebt er nog een verrassingselement bij.”

Mocht je in Oxford ook de buiten op?
Draulans: “Ja. Ik zat er voor mijn postdoctoraat: ik kon min of meer zelf bepalen wat ik ging doen. In Oxford heb ik vooral wetenschappelijke publicaties geschreven. Ook mijn eerste boek. Een thriller, in het Engels. Vervolgens heb ik het opgestuurd naar enkele Engelse uitgeverijen die me aanraadden om het in het Nederlands te schrijven. Logisch eigenlijk: ik was wat overmoedig om het gebrek aan Engels als moedertaal te kunnen compenseren. Buiten heb ik ook wat experimentjes gedaan, maar daar ben ik te vroeg mee moeten stoppen omdat mijn mandaat afliep.”

En daarom stapte je over naar de journalistiek?
Draulans: “Dat was per ongeluk. Tot ik solliciteerde, heb ik nooit ambitie gehad om in de journalistiek te gaan. Eigenlijk hoopte ik op een academische carrière. De professor die mijn doctoraat begeleidde was al een tijdje op emeritaat. Er was helaas niet onmiddellijk geld om hem te vervangen. Hij bleef er nog wat hangen en ik vervulde een assistentenrol. Halvelings hoopte ik dat ik zijn job zou krijgen. Maar toen ik naar België ging om in Leuven mijn kandidatuur te verdedigen zei de professor die voorzitter was van de onderzoekcommissie dat ze mij niet gingen benoemen. Hij wond er geen doekjes om. Het bleek uiteindelijk iemand te zijn van zijn eigen labo waar hij van af wilde. Een enorme ontgoocheling voor mij. Ik was nog net iets te jong, maar had een heel goede CV, heel goede publicaties. Ik zag het totaal niet aankomen. Eventueel kon ik blijven met een fragiel mandaat, maar ik kreeg er zo’n degout van… Op dat moment zat ik in Oxford in het Mekka van wetenschappelijke uitmuntendheid. Diezelfde dag dat mijn academische carrière eigenlijk afgesloten werd ging ik mijn ouders bezoeken in de Kempen en ook naar de tandarts. In de wachtzaal zag ik een Knack liggen. Ik had dat blad nog nooit vastgenomen. Al wachtend bladerde ik er wat in en daarin stond de enige vacature ooit voor een journalist met expertise in wetenschap. Ik heb het eruit gescheurd, er even over nagedacht en gesolliciteerd met absoluut niet het gevoel dat ik er talent of zelfs interesse in zou hebben. Ik had mijn CV als een soort thriller geschreven om toch het gevoel te geven dat ik kon schrijven. Het heeft een half jaar aangesleept. Aanvankelijk wou de redactie mij niet aannemen omdat ik te hoog gediplomeerd was. Finaal had ik het geluk dat De Standaard net Gérard Bodifée had aangenomen en er stevig mee had uitgepakt. De eigenaar van Knack, Rik De Nolf, moeide zich toen nog met zulke zaken en zei: ‘Ik wil ook een doctor op mijn redactie.’ Ze besloten om me een half jaar proef te laten draaien, en nu zit ik hier bijna dertig jaar.”

Ze hadden de hoofdvogel afgeschoten?
Draulans: “Dat zou ik niet durven zeggen, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat ze mij beschouwden als een vreemde eend die toch belangrijk voor het blad was.”

Vanwaar dat vreemde eend-gevoel?
Draulans: “Ik ben al die tijd de enige wetenschapper geweest. Niet alleen bij Knack, maar ook zo goed als in het Vlaamse journalistenbestel. Wetenschap wordt in de journalistiek nog altijd stiefmoederlijk behandeld. Het wordt dikwijls gedaan door mensen die er geen verstand van hebben. Nu ja, ik heb daar mee leren leven. Het blijft wel een bezorgdheid om die wetenschap in de mainstream media te houden.”

DIRK_DRAULANS_004

Was dat ook je oorspronkelijke doel toen je de journalistiek in ging?
Draulans: “Nee. Het is wel de reden waarom ze me hebben aangeworven. Ik vond zoiets normaal, ik had die journalistieke reflex niet. Na twee jaar maakte ik mentaal de wissel van het wetenschappelijke naar het strikt journalistieke. Toen heb ik heel lang ‘echte’ journalistiek gedaan. De oorlog in. In eigen land deed ik ook harde journalistieke reportages en als er eventjes niets was, viel ik terug op die wetenschap. Nu doe ik weer voornamelijk wetenschap. De zware journalistiek is er afgevallen: je kan dat niet blijven doen. De drank en de drugs, dat had ik er niet voor over om de ellende van die oorlogen weg te werken. Ik stopte op tijd om te vermijden dat ik zot werd.”

Zou je een degelijke wetenschapper geweest zijn?
Draulans: “Ik heb eens een conflict gehad met een van mijn voormalige proffen, veruit de beste van wie ik ooit les heb gehad. Hij was indertijd directeur van het Museum voor Midden-Afrika en heeft me ook in Afrika geïntroduceerd. Eerst bij mijn studentenreizen, vervolgens heeft hij me een paar keer meegestuurd met een expeditie van zijn museum. Op een gegeven moment schreef hij naar de toenmalige hoofdredacteur van Knack, Sus Verleyen, een brief om te zeggen dat ik een betere journalist was dan dat ik ooit als wetenschapper zou geworden zijn. Hij twijfelde eraan of ik als wetenschapper dezelfde impact zou gehad hebben. Ik was eerst op mijn tenen getrapt. Ik heb geweldig nagedacht en heb hem gelijk moeten geven. Ik ben te ongedurig om een goede wetenschapper te zijn. In de journalistiek spring je gemakkelijk van het ene verhaal naar het andere. Dat is veel meer op mijn lijf geschreven dan dat ik mij vier jaar op een wetenschappelijk onderzoek richt. En als ik zag hoe sommige ex-collega’s moesten krabbelen om beurzen en mandaten te krijgen… Na de eerste twee jaar heb ik er nooit meer spijt van gehad dat ik uit de academische wereld ben gegaan.”

Had je ook een revanchegevoel? Je op journalistiek vlak naar de top werken omdat het in de wetenschap niet gelukt is?
Draulans: “Nee. Wel heb ik van mijn positie misbruik gemaakt om een paar oude rekeningen te vereffenen, dat moet ik eerlijk toegeven. Ik streef niet naar een hoge positie. Ik heb zelfs het hoofdredacteurschap eens geweigerd omdat ik het gevoel had dat ik in die functie boven mijn niveau zou spelen. Ik wilde ook die vrijheid van op het terrein behouden. Bovendien heb ik een hekel aan vergaderen. Ik ben ook niet materialistisch en heb niet veel geld nodig.”

Intrinsiek ben je alleszins enorm bezeten…
Draulans: “Ja, maar dat is omdat hetgeen ik doe fantastisch graag doe.”

Omdat je de journalistieke vertaling van de wetenschap wat saai begon te vinden, werd je oorlogsjournalist. Dat leek me toen voor Knack niet zo evident.
Draulans: “Indertijd kwam die flitsende tv van CNN en VTM: zij zaten bovenop het nieuws. Wij brachten dan vijf weken later zo’n afstandelijke analyse van wat anderen daar van dachten. Wij vonden: als je wil weten in welke mate wat er op tv gezegd wordt correct is, moet je er zelf gaan. Dat was de nogal belachelijke eerste insteek. Tot je ter plekke ziet dat je er beter eigen verhalen kan maken in plaats van naar de beperktheid van het televisiejournaal te kijken. Zo heb ik er dus verhalen zitten schrijven. Ik was een echte survivor. Als bioloog trok ik al naar Afrika en het poolgebied: ik wist dat ik zulke harde reizen aankon. Dat was dikwijls spannend. Toch werkte dat op een bepaalde manier. Zo heb ik dat een dikke tien jaar volgehouden.”

En dan gestopt omdat het je te veel werd?
Draulans: “Uit schrik eigenlijk. Het werd me mentaal te veel, je maakt een aantal incidenten mee en op den duur begin je bang te worden… Vanaf dan moet je stoppen, want er kan altijd wel iets mislopen. Als je anticipeert op alles wat fout kan lopen, ben je niet meer bezig met het maken van goede verhalen.”

Je werd in 1993 in Bosnië in je rug geschoten…
Draulans: “Die schok daarvan is pas een jaar later gekomen. Een Franse collega werd neergeschoten, wij zijn ook eens in een mortieraanval terecht gekomen waar we net van weg konden… Zulke momenten stapelden zich op. ‘Hoe ver kan je geluk je drijven zonder een onverantwoord risico te nemen?’, vroeg ik me af. Op een gegeven moment kreeg ik al schrik toen ik iemand met een geweer langs de weg zag lopen. Daarom ben ik enkel de oorlogen in en rond Congo blijven doen: ik kende die regio door en door. Ik wist ook: als je tegen de Congolezen een groot bakkes op zet, kom je er nog mee weg. Dat was dus minder spannend dan in Somalië of in ex-Joegoslavië. Daarna ben ik nog een hele tijd gebleven bij de top van zo’n rebellie.”

De actie trok je ook aan?
Draulans: “Ja, dat geeft natuurlijk een heldhaftig gevoel. (lacht) Die oorlogsverslaggeving gaf zo’n intense ervaring: ik ben blij dat ik dat gedaan heb. Het heeft ook mijn reputatie als ‘echte’ journalist ondersteund. Indertijd werd ik veel geïnterviewd voor radio en televisie over oorlogsverslaggeving. Ineens ben je een echte journalist. Wetenschapsjournalistiek is eigenlijk een van de minder interessante vormen omdat je in se niet meer bent dan een vertaler van kennis die anderen vergaren. Ook een van de redenen waarom ik er finaal met mijn fotograaf – die intussen mijn beste vriend geworden is – mee gestopt ben, is het gevoel dat wij hadden alsof we telkens hetzelfde verhaal aan het maken waren. Weliswaar telkens in een ander decor. Waar je ook zat, je had altijd sluipschutters, diplomaten, gefrustreerdenpverleners en rebellen.”

Na jou is er bij Knack geen oorlogsverslaggever meer geweest.
Draulans: “Ja… Die jonge generatie is er niet meer in geïnteresseerd.”

Je moet het ook maar allemaal willen doen.
Draulans: ”Je moet mensen niet tegen hun zin naar de oorlog sturen, want dat is zottenwerk. Maar ik ging er altijd van uit dat dat zo’n vorm van journalistiek was waar jongeren altijd van droomden.”

Ging het er voor journalisten in de jaren negentig niet gevaarlijker aan toe dan nu?
Draulans: ”Dat kan ik niet beoordelen, maar ik heb wel het gevoel dat er meer charlatans waren dan nu. Journalisten die deden alsof ze in oorlog gingen, maar eigenlijk in ex-Joegoslavië meereden met witte waarnemers van de Europese Commissie of met Artsen Zonder Grenzen naar de oorlog gingen. Ik heb in 1996 een geweldige crisis gecreëerd door Artsen Zonder Grenzen te verwijten dat ze valse crisissen creëerden om de geldmachine te laten rollen. Indertijd was er een journalist van De Morgen die met Artsen Zonder Grenzen meereisde omdat de krant het geld en de middelen niet had om dat zelf te doen. Hij bleef natuurlijk Artsen Zonder Grenzen verdedigen. Ik dacht dan: ziet die dat dan niet? Achteraf heeft hij me toegegeven dat het voor De Morgen nogal moeilijk was om dat verhaal te brengen. Diezelfde journalist heeft later in een recensie van een van mijn oorlogsboeken misschien wel een van mijn mooiste complimenten geschreven. ‘Draulans bedrijft journalistiek zonder rekening te houden met de consequenties.’ Dat is de gulden regel die je moet volgen: je moet je verhaal niet aanpassen om niet op iemands tenen te trappen. Daar heb ik eigenlijk nooit last van gehad. Wel ben ik natuurvrienden kwijtgespeeld omdat ik een verhaal over landbouwers schreef waarmee zij zich niet mee akkoord konden verklaren.”

Je bent ook wel iemand die je ongezouten mening niet achterwege houdt.
Draulans: ”Dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Ik verzet me er ook niet tegen. Af en toe zou ik beter eens iets niet doen, want dan zijn mensen kwaad en dreigen ze met processen en vloek je even omdat het circus toch niet weer zal weer beginnen. Ik heb een aantal processen aan mijn been gehad die gelukkig altijd goed zijn afgelopen. Je moet er wel veel energie in steken om die dossiers te maken, dat is een ellende van jewelste. En stel dat je wordt veroordeeld. Wat doe je dan met je geloofwaardigheid als journalist? Gelukkig weet ik intussen hoe het gerechtelijk systeem werkt en op een bepaalde manier geeft dat vertrouwen.”

Ben je door de oorlog daarin ook rustiger geworden?
Draulans: “Ik denk het niet. Je wordt rustiger omdat je ouder wordt. Bovendien kweek je ook vertrouwen in je handelsmodus. Ik had met mijn fotograaf ook de afspraak gemaakt dat als de ene van de andere voelt dat het niet meer gaat, we dat dan zouden zeggen. We wilden elkaar waarschuwen voor eventueel onverantwoorde dingen in de journalistiek en in de oorlog.”

Toch kan je oorlogsverslaggeving beschrijven als geluk. Straf.
Draulans: “Ja. Het is ook iets wat je gebruikt om het voor jezelf mentaal gemakkelijker te maken. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik voor het geluk geboren ben. Ook de manier hoe ik in mijn job ben beland, waar ik waarschijnlijk voor gemaakt ben. Ik kan me niet inbeelden dat er voor mij een betere job is dan wat ik nu doe. Ik heb ook enkele relaties gehad met dames waarvan ik zo blij was dat ik ze ooit ben tegengekomen. Of dat je ineens een goed verhaal tegenkomt.”

Je panikeerde dus ook niet toen je een pistool tegen je slaap kreeg?
Draulans: “In Somalië heb ik in 1991 een schijnexecutie meegemaakt. Ze stonden tien minuten te discussiëren of ze al dan niet mijn kop eraf zouden schieten. Toen was ik nog zo wild en onbezonnen. Uiteindelijk ben ik dan nog maten geworden met die bende en hebben zij mij zelfs meegenomen naar hun villa waar een volledig wapenarsenaal lag. Toen was ik alleen, ik had zelfs geen fotograaf bij. Zo losbondig ging dat allemaal.”

Je werkte er vrij primitief.
Draulans: “Je zoekt veel verhalen, je rijdt van het een naar het ander. Je bent dikwijls veel tijd kwijt. Zit je tien dagen in een oorlog, dan gebeurt er acht dagen niets. In de eerste Golfoorlog heb ik eens twee keer 800 kilometer gereden om een verhaal naar Knack te kunnen versturen. Van Irak naar Saoedi-Arabië om in een hotel te faxen, dat was de goede oude tijd van in 1989. (lacht)”

Genoot je er op een bepaalde manier ook van de natuur?
Draulans: “Ja, zelfs in oorlog had ik altijd een verrekijker bij. Mijn fotograaf lachte daar soms mee. Op het kamp van Belgische blauwhelmen op de frontlijn in Bosnië tussen de Kroaten en de moslims keken we eens naar een moslimdorpje dat etnisch gezuiverd werd door de Bosnische Kroaten. Vanop 500 meter sloegen we ze gade met die grote verrekijkers van het leger. Baf, baf! Ze gooiden er emmers handgranaten in de huizen. Ineens zag ik een bende vogeltjes zitten tussen dat kamp en het gevecht. Met mijn eigen verrekijker was ik naar die vogeltjes – paapjes waren dat – aan het kijken. Die fotograaf, niet mijn vaste, kreeg dat ineens door. Hij verklaarde mij zot. Ik deed het in een reflex: automatisch ging mijn aandacht daar naar toe. Daar is al hard mee gelachten geweest.”

Je bent wel afgebleven van de drugs in het oorlogsgebied.
Draulans: “Drugs heb ik nooit in mijn leven gebruikt. Ik heb ook nooit gerookt. Ik heb één keer eens een halve joint gesmoord op de begrafenis van mijn beste vriend, maar toen was ik emotioneel al zo te gronde. Drinken heb ik af en toe wel gedaan: wat wegspoelen om mentaal tot rust te komen. Op een gegeven moment heb ik thuis beslist om alle sterke drank weg te gooien. Die reflex heb ik op tijd gehad. Ik hield het meestal onder controle, maar die fotograaf waar over ik net sprak was echt een junk. Hij was deels naar de oorlog gekomen om zijn persoonlijke ellende te ontvluchten. Soms verdween hij om dan ’s avonds volledig stoned terug te komen. Daar heb ik een paar farcen mee voorgehad. Dat was eigenlijk een verhaal binnen het verhaal.”

DIRK_DRAULANS_011

VROUWENZOT

Welke impact hebben die oorlogsreizen op jouw privéleven gehad?
Draulans: “Niet veel denk ik. Mijn toenmalige vriendin, Lieve Blancquaert, had het daar in het begin wel een beetje moeilijk mee. Toen ik in mijn rug geschoten werd, wist ik dat ik het nieuws zou halen. Er was al een telex uitgezonden. Maar ik had Lieve nog niet kunnen bereiken. Zij werd zot, totdat ik ze aan de lijn kreeg. Mijn moeder had ik wel al kunnen bellen en zij had ze dan gelukkig kunnen geruststellen.”

Als oorlogsjournalist had je ook geen stabiel leven.
Draulans: “Ja, dat hoorde erbij. Ik heb er nooit van wakker gelegen, ik heb ook geen posttraumatisch stresssyndroom gehad, of nachtmerries.”

Je leefde als een vogel, vliegend van plaats naar plaats.
Draulans: “Wat zwerven hé. Nu nog. Ik ben niet zo honkvast in woonst. Ik woon nu in een klein boerderijtje. In principe wordt het afgebroken als het Saeftinghedok er komt. Ik huur het: als het nodig is, verhuis ik wel weer.”

Opmerkelijk: als je terugkwam van de oorlog trok je soms een paar dagen naar Kroatië vooraleer naar België te keren.
Draulans: “Dat was vooral voor het thuisfront. Ik merkte dat ik dan kortaf kon zijn. Ik besefte ook dat ik voorzichtig moest omgaan met de verhalen uit die conflictgebieden. Vandaar dat ik enkele dagen ergens op de rand van de oorlog op een rustige plaats verbleef om een buffer in te bouwen.”

Hoe ongerust waren je ouders?
Draulans: “Mijn moeder vond dat niet plezant. De eerste keer dat ik naar Sarajevo ging, had ik het haar niet gezegd. Ze had natuurlijk na een week door dat er iets was. Met wat mijn vader vond wat ik moest doen heb ik eigenlijk nooit rekening gehouden. Hij heeft zich daar uiteindelijk bij neergelegd. Het enige wat hij me afraadde en waarvoor hij me ooit opbelde, was toen ik besloten had om naar Tsjernobyl te gaan voor de tienjarige verjaardag van het incident.”

Je ouders hebben je altijd gesteund ondanks je ongewone levensstijl, vooral op vlak van relaties. Je kreeg het in de media al meermaals te verduren.
Draulans: “Mijn ouders wisten ook dat die term ‘vrouwenzot’ nergens op slaat. Dat is er op een gegeven moment door de media van gemaakt. Het stoort mij eigenlijk niet. Ik heb het op een geven moment zelfs wat gecultiveerd. Ik gebruikte mezelf als voorbeeld om te illustreren dat absolute monogamie niet aan de mens besteed is. Maar de flierefluiter die ze daarvan gemaakt hebben, was ik nu ook weer niet.”

Jijzelf kon ook goed tegen alle verwijten.
Draulans: “Je krijgt daar snel een olifantenvel van. Het enige waar ik mij af en toe zorgen om maakte is het effect naar de kinderen toe. Mijn jongste dochter is negen jaar en zij lacht daar nu gelukkig mee.”

Je hebt toch het een en het ander gedaan om die evolutietheorie aan te brengen. Je gaf veel bekende voorbeelden in je boek ‘Het succes van slechte seks’.
Draulans:
“Het is nog altijd zo dat veel mensen niet overtuigd zijn dat die evolutietheorie ook veel over henzelf zegt. ‘Het succes van slechte seks’ is mijn bestverkopende boek geweest. Er zijn er meer dan 25 000 exemplaren van verkocht. Hij zit nu al aan zijn tiende druk. Dat boek confronteert mensen met hoe ze zelf functioneren onder druk van die biologische software. We hebben namelijk nog steeds reflexen die sommigen liever niet hebben.”

Hecht je veel belang aan natuurwetten?
Draulans: “Ik denk dat het vooral nuttig is om te beseffen dat ze er zijn. Na een lezing ben ik ooit eens aangesproken geweest door een dame. Ze zat op de eerste rij en ik had al meteen het gevoel dat ze er was voor een reden. Ze wachtte alle andere vragen af en toen iedereen weg was, kwam ze naar me toe. Ik ben met haar in het café ernaast iets gaan drinken. Ze had een geweldig goed gezinsleven, maar had een probleem: ongewild werd ze om de haverklap verliefd op een andere man. Ze vroeg zich af of dat wel kon. Dat is dus perfect normaal. Zij dacht aanvankelijk dat ze een psychiatrische afwijking had. Ze was zichzelf van alles aan het verwijten.”

En was je antwoord geruststellend?
Draulans:
“Dat weet ik dus niet. Ze vond het in ieder geval geruststellend om te weten.”

Als bioloog, gefascineerd door de wetten van de natuur, ging je in de oorlog vooral op je gevoel af.
Draulans:
“Het intuïtieve heeft eigenlijk meer en meer wetenschappelijke verklaring gekregen. Tot twintig jaar geleden dacht iedereen dat de hersenwerking een rationeel proces was. Vandaag de dag zijn de meeste diehard neurologen ervan overtuigd dat wij vooral op emotionele en intuïtieve processen draaien en dat die ratio iets is dat wij er achteraf proberen op te gooien in een poging om het te begrijpen. Als iedereen louter rationeel zou denken, zou de wereld een stuk minder interessant zijn. Dat is ook in mijn eigen leven: ik zit niet vastgepind op bepaalde dingen en zo beleef je veel meer dan wanneer je puur rationeel een routineproces zou volgen. Mensen die in een routine blijven steken, ik snap dat niet. Routine is natuurlijk het gemakkelijkste, je zit in het defensief. Maar ik ga nooit begrijpen dat je zo kunt leven.”

DIRK_DRAULANS_012

 

“NU HOEFT NIETS MEER”

Met welk dier zou jij jezelf vergelijken?
Draulans:
“In feite zijn we apen hé. Ik heb er geen probleem mee om met een aap geassocieerd te worden. Eigenlijk zijn wij een aap die iets meer hersenen heeft dan andere apen en daardoor die haven en kerncentrale kan bouwen. De vraag is: gaat het ons op lange termijn succes brengen? Ik denk dat wij als soort relatief snel zullen weg geselecteerd worden omdat we het te ingewikkeld aan het maken zijn.”

Dat is niet zo tof om te horen.
Draulans:
“Ik zie dat vooral als iets realistisch. Dat kan pas binnen 50 000 jaar zijn, wat naar de normen van een evolutiebioloog een vingerknip is. De gemiddelde mensensoort die er al geweest is heeft het nooit langer dan enkele 100 000-en jaren uitgezongen, op één uitzondering na: de homo erectus die dat één miljoen jaar heeft gedaan. Wij zijn er nu 200 000 jaar, kakkerlakken en krokodillen zijn er al 120 miljoen jaar. Die gaan we nooit kloppen.”

Als bioloog kan je ook heel wat menselijk gedrag onder de loep nemen, neem nu de financiële crisis.
Draulans: “Je kan als bioloog de financiële crisis niet verklaren, maar wel de onzin aankaarten die anderen eraan geven. Heel die organisatie rondom die economische winkel is zo irrationeel. Je kan dat niet verklaren, dat is geen exacte wetenschap. Onlangs is aangetoond dat als je meer dan de helft van de psychologische studies opnieuw doet, je een ander resultaat krijgt. Dat illustreert dat het allemaal niet op ratio draait, maar op intuïtie, willekeur en zelfs chaos. Het punt is: als je rationele wetenschap loslaat op economie, dan wordt dat iets als astrologie of weersvoorspellingen. Ik denk dat ik een van de eerste was die daar in 2008 mee in de media kwam. Nu zeggen economen zoals Paul De Grauwe dat ook, maar toen was dat voor velen een shock: al wat zij doen slaat eigenlijk nergens op. Als economie een exacte wetenschap zou zijn, is iedereen rijk. Zo simpel is het.”

Ook interessant: ondanks het darwinisme hebben we wel een uitgebreid sociale zekerheidstelsel.
Draulans: ”De zorgsector is een typisch voorbeeld van hoe geweldig zorgzaam onze maatschappij geworden is. Mijn jongste zus werkt met mentaal gehandicapten. Als je ziet wat daar in geïnvesteerd wordt om hen nog een zinvol leven proberen te geven… dan denk ik: als maatschappij hebben we het zo slecht nog niet gedaan. We laten niemand achter. De vraag is: kunnen we dat blijven betalen? En dat verhaal wordt voor ons uitgeschoven: al die pensioenfondsen. Ik ben benieuwd.”

Hoe bekijk je de wijdere maatschappelijkere problemen?
Draulans:
“Er zijn een aantal dingen waar ik mij als bioloog geen illusies over maak: de fundamentele ongelijkheid gaan we nooit wegkrijgen. Migratie gaan we ook nooit kunnen stoppen. Het zit in de mens dat hij zich verplaatst wanneer hij denkt dat het ergens anders beter gaat zijn. De vraag is: hoe incorporeren we dat in het systeem? Ik heb ooit eens in mijn Congo-tijd rondgelopen met een map foto’s van hoe Congolezen in Europa leven. Die liet ik zien aan mensen die wilden vertrekken. Ik denk niet dat ik er ook maar één overtuigd heb om niet te vertrekken. Die vreselijke foto’s van twintig man in één kamertje en vuile afwasjobs, dat was voor hen nog altijd interessanter dan waar zij in zaten. Dat is zelfs geen kwestie van armoede ontvluchten, dat is om een interessanter leven te leiden.”

Je hoort toch vaak verhalen dat zij er ondanks alle ellende veel gelukkiger leven dan wij westerlingen.
Draulans:
“Dat zeggen wij. Ik heb daar bij die mensen gezeten en na twee weken ben je het beu en ga je weg. Maar zij blijven zitten. Ze leven wel in de natuur, waar hier dikwijls een nostalgische sfeer wordt rondgehangen. ‘Dat is het ideaal, je bent weg van de stress.’ Maar de meeste mensen vervelen zich er te pletter in zo’n systeem zoals het hier honderd jaar geleden was. Een hard leven hé. Hoe fel ik me ook tegen grootschaligheid keer, ze heeft er wel toe geleid dat ons eten bijna niets meer kost en wij tijd hebben om hier twee uur op een dijk te babbelen. Anders zaten we het veld te bewerken voor wat eten. Het evenwicht is wel uit balans: landbouw mag kleiner en milieuvriendelijker. Honderd jaar geleden moest je het allemaal zelf doen, daar moeten we ons zeker bewust van zijn. Maar dat wil niet zeggen dat je niet kunt werken aan een betere organisatie van het geheel.”

Wat doe jij tegenwoordig nog?
Draulans: “Er is niets meer wat ik echt nog wil doen. Aan mijn lief heb ik beloofd dat ik op mijn 65ste op mijn pensioen begin aan een internationale bestseller. Ik wil dat een keer proberen en weet al waarover. Ik houd daarvoor zelfs een map bij. Lukt het, dan trouw ik op mijn zeventigste voor de eerste keer in mijn leven en geef ik een feest in de Virunga in Congo, bij de gorilla’s. Dat is zowat het droomperspectief. Wat mijn werk betreft: ik heb vijf jaar geleden voor Canvas en de VPRO acht maanden lang de wereld rondgereisd in het kielzog van Charles Darwin. ‘Nu hoeft niets meer’, zei ik toen ik terugkwam. Dat was onverbeterbaar. Alles wat nog komt is meegenomen. Dat is eigenlijk een rustgevend gevoel.”

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
Draulans: “’Hier recycleert de natuur voor u’. Ik wil begraven worden. In een crematorium waai je als zinloze warmte de schouw uit en blijft er niets meer van je over. In een graf wil ik opgegeten worden, verteerd worden door de wormpjes en de keverlarfjes die dan opgegeten worden door een mol die vervolgens opgegeten wordt door een kerkuil.”

DIRK_DRAULANS_008

 

Foto’s door Kristof Claeys (Cheese Photography).

Pin It on Pinterest