Photographer

Gemiddelde leestijd: 16 min

Wat Jan Verheyen ook doet – films regisseren, scenario’s schrijven, radioprogramma’s presenteren, lezingen geven – altijd zal hij Vlaanderen in twee kampen verdelen: zij die smullen van zijn joviale stijl en werk voor een breed publiek en zij die verzuchten dat deze zelfingenomen windbuil weer wat dichter bij de bodem van de goede smaak is gekomen. Zeker één man geeft niet om die kritiek, en dat is Verheyen zelf: “Ik heb nog nooit in een recensie over één van mijn films iets gelezen waarvan ik dacht, ‘tiens, die recensent heeft een punt’. Werkelijk nooit.’

Verheyen heeft het druk. Want hij is niet alleen regisseur en sinds Het Vonnis scenarist van zijn films, hij schrijft nu voor het eerst ook scripts voor televisie(reeksen) die hij zelf niet regisseert (‘Vermist’ – seizoen 7). Zijn laatste regieproject, FC De Kampioenen: Jubilee Generale, was een bioscoopsucces, momenteel bereidt hij zich voor op een nieuwe film rond Vyncke en Verstuyft, en pas vorige week kwam de allerlaatste stielman nog wat afwerken na de stormschade van 30 augustus, die Verheyen en zijn gezin letterlijk dakloos maakte.

’30 augustus, a day to remember. Meer dan 3 ton glas hebben ze achteraf opgeruimd. Die herstellingswerken waren dus een echte renovatie – pas net voor de kerstvakantie waren ze klaar. Maar goed, geen gewonden, goed verzekerd, alleen maar materiële schade, hier en daar de woning zelfs verbeterd: ik heb het nogal goed kunnen plaatsen. Ik zou het veel erger hebben gevonden moest mijn bureau in de tuin, waar zoveel persoonlijke dingen staan, verwoest zijn geweest. Materiële schade kan je herstellen, emotionele schade veel minder.’

Je bent een selfmade man: zo heb je de liefde voor film niet van thuis uit meegekregen.

Jan Verheyen: ‘Neen. Mijn vader was boekhouder in een OCMW-ziekenhuis, mijn moeder werkte in een bank, maar stopte daarmee toen het derde kind er was en werd huisvrouw – een niet ongebruikelijke beslissing eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Mijn broer doet nu loonadministratie in een ziekenhuis en mijn zus werkt … in een bank. Je kan dus zeggen dat ik die welbekende appel ben die vér van de boom is gevallen – de vreemde eend die op familiefeestjes wat meewarig wordt aangekeken (lacht).’

Ook de zin om te ondernemen moest je van niemand leren. Als leerling op het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in Sint-Niklaas lanceerde je het klaskrantje ’t Plezierke.

Jan Verheyen: ‘Ik had een haat-liefdeverhouding met school, zeker in het middelbaar. Enerzijds hield ik niet van les krijgen – ik heb een héél korte attention span: dingen die mij niet interesseren zijn een ware lijdensweg voor mij – maar anderzijds vond ik die gedwongen cohabitation met andere mensen bijzonder interessant. Ik moest alleen een manier vinden om daar mijn eigen plaats te vrijwaren. En dat bleek onder meer het opstarten van een schoolkrant, die we toen nog niet hadden. Onder meer mijn leraar Engels/Nederlands heeft mij enorm gestimuleerd, toen hij merkte dat ik met dat schoolkrantje bezig was en heel graag opstellen schreef, om daarin verder te gaan en mij creatief te blijven ontwikkelen. De meeste mensen die aan hun schooltijd denken, denken aan bepaalde vakken. Ik denk aan de dingen die ik daar buiten deed – die hebben mij vooral gevormd.’

Is er ook iemand geweest die de filmvonk in jou heeft aangewakkerd? Hoe is die liefde ontstaan?

Jan Verheyen: ‘Wel, dat is een groot mysterie, want in mijn familie lopen er niet echt filmliefhebbers rond. Maar ik was als kleine jongen heel graag op mezelf, geen groepsmens – nog altijd niet trouwens. Uit wanhoop om van mij een normale mens te maken hebben mijn ouders me letterlijk alle jeugdbewegingen laten doen: KSA, Chiro, KLJ … Maar dat werkte niet voor mij, ik zat liever op mijn speelzolder om urenlang te lezen of Playmobil-dorpen te maken. Ik keek ook heel graag tv, en volgens mij is daar de interesse voor film ontstaan, die al heel snel in passie omsloeg. Ik herinner me nog dat op zaterdagnamiddag oude films werden uitgezonden, genre Laurel & Hardy, en Fred Astaire en Ginger Rogers. Ik vond al die Amerikaanse klassiekers fantastisch. Toen ik 14 of 15 was, mocht ik dan van mijn vader met de bus of trein in het weekend naar Brussel of Antwerpen, om daar naar de bioscoop te gaan. We hadden weliswaar een eigen wijkbioscoop, de British Palace, maar die speelde alleen kung-fufilms in de namiddag en tirolerseksfilms ’s avonds. Daar zagen mijn ouders me niet graag naartoe gaan, en het waren nu ook niet meteen mijn interessegebieden (lacht).

‘Ik had toen één geestesgenoot in het college, een filmfreak als ik, met wie ik tijdens die weekends naar de stad trok. Maar de voorbereiding begon al op woensdag. Toen kwam Le Soir uit, met minstens twee pagina’s filmadvertenties en -uurroosters. Mijn vriend en ik waren toen – echt waar – ruim een uur zoet met op basis daarvan een schema voor de zaterdag in elkaar te puzzelen. De eerste films werden om 10 of 11 uur getoond, en we wilden altijd minstens drie films in dat schema krijgen. Dat anticiperen was eigenlijk bijna zo leuk als de films zelf. Er zijn jaren geweest dat ik letterlijk alles heb gezien wat in de bioscoop verscheen – dan spreken we toch over ruim 400 films. Van Franse komedies tot sombere Duitse Fassbinderdrama’s, ik sloeg niets over. Tijd dat ik verscheten heb in cinemazalen, niet te geloven. Maar het was wél de best denkbare filmschool.

Vandaag zie ik ongeveer 200 à 250 films per jaar, ik heb intussen geleerd de extremen er uit te laten: hardcore arthouse bijvoorbeeld, of de zoveelste sequel. Er zijn maar twee regisseurs die in de buurt van dat aantal komen, en dat zijn Robbe De Hert en Erik Van Looy – die zien ook zoveel mogelijk. Ik heb het altijd schokkend gevonden hoe weinig van al mijn andere collega’s naar de cinema gaan.’

Drie of vier films op een dag, dat moet toen toch geld hebben gekost?

Jan Verheyen: ‘Ja, dus daarom streefden we ernaar zo snel mogelijk een perskaart te bemachtigen. Dat was niet echt moeilijk. Als je kon aantonen dat een blaadje, hoe klein ook, een stukje van jou publiceerde, kwam je al in aanmerking. Op die persvisies heb ik voor het eerst Erik Van Looy ontmoet, en heel wat andere mensen die een belangrijke rol in mijn leven zouden gaan spelen.’

 

Photographer

 

In 1982 en 1983 organiseerde je, op amper 18-jarige leeftijd, je eigen filmfestival in Knokke-Heist. Hoe is dat gekomen?

Jan Verheyen: ‘Tja, hoe gebeuren zo’n dingen? Ik was gefaald in de humaniora. Ik had superveel herexamens en zei tegen mezelf: ‘fuck it, ik doe ze niet’. Waarop ik besloot om met een paar kompanen, die ik tijdens die persvisies had leren kennen, om een eigen festival op te starten. Je had toen nog niet veel, het filmfestival van Gent was toen nog behoorlijk klein en het distributielandschap was begin jaren 80 lui, vergrijsd, compleet out of touch. Wij voelden ons de new kids on the block, jonge beeldenstormers die het allemaal veel beter wisten. We gingen naar andere festivals om films te selecteren, leerden verdelers en agents kennen en begonnen zo een netwerk uit te bouwen. Iedereen was maar wat blij om met ons in zee te gaan, omdat we een frisse wind door dat distributiewereldje lieten waaien. We promootten onze films ook keihard, zodat op den duur die agents ons contacteerden.

‘Dankzij dat filmfestival ben ik in de filmdistributie gerold en heb ik, samen met Marc Punt, in 1985 Independent Films opgericht, om internationale films bij ons te verdelen. Terminator 2, Four Weddings and a Funeral – daar zaten echt megacoole dingen tussen. Ook Vlaamse producenten kwam op den duur op onze deur kloppen. Zo hebben wij Crazy Love verdeeld, net als Hector en Daens. Op den duur begonnen we te coproduceren, en nog wat later, weer met die jeugdige overmoed, kwamen we tot de conclusie: wij kunnen dat eigenlijk beter, films maken. En zo heb ik in 1991 Boys geregisseerd, met geld van ons eigen Independent Films.

Vandaag is zo’n traject afleggen ondenkbaar. Wij hadden nog tijd om te groeien, nu is die sector superprofessioneel – wat ik, voor alle duidelijkheid, toejuich. Maar nu kan je niet meer binnenstormen en je voet tussen de deur steken zoals wij deden. Onze mentaliteit was: wij zijn hier, ga opzij. In die tijd kon dat, dus onze timing zat mee. Dat laatste is uiteraard niet onze verdienste, wel het feit dat we er iets mee gedaan hebben. Je moet niet alleen het gat zien, je moet er ook durven in springen. Risico’s nemen. Koppig zijn.’

En dat deed je, want na Boys kon je naar Amerika om er in 1995 The Little Death te filmen. Een grote vergissing.

Jan Verheyen: ‘Dat is nog heel zacht uitgedrukt. Het heeft zeker 10 jaar geduurd voor ik die film met enige afstand kon bekijken. In mijn jeugdige overmoed en naïviteit dacht ik er mijn eigen Blood Simple te gaan maken, maar het eindresultaat was een dertien-in-een-dozijn pseudo-erotische thriller waar er in de slipstream van Basic Instinct tientallen van zijn geproduceerd. Maar ja, ik kwam daar aan, met amper één film op mijn CV, en ik werd daar meteen in een addernest gegooid. Voortdurend conflicten, producenten die het onderling al oneens waren en dan vaak ook nog eens met mij … Maar ik heb daar veel geleerd. What doesn’t kill you makes you stronger. Mijn film daarna, Alles Moet Weg, had ik niet kunnen maken zoals ik hem gemaakt heb zonder die ervaring. Ik ben daar mezelf tegengekomen, beseft dat ik niet gedij in een omgeving met conflicten. Daarom zorg ik er voor dat al mijn sets warme nesten zijn, waar acteurs en medewerkers op hun gemak zijn. Anderen moeten met een rugzak naar India om zichzelf tegen te komen, ik stond op een filmset in Amerika (lacht). Het is de enige van mijn intussen dertien films die ik niet graag heb gemaakt.’

Stel dat je vandaag opnieuw een aanbod uit Amerika krijgt …

Jan Verheyen: Never say never, maar ik zit er niet op te wachten. Ik denk ook dat het alleen maar kan lukken als je daar effectief gaat wonen, omdat je zoveel mensen moet ontmoeten. En zelfs dat is geen garantie op succes – kijk maar naar Dominique Deruddere. Bovendien heb ik hier een heel fijn leven, ik kan de dingen maken die ik wil maken, met mensen die ik graag heb en vertrouw, en ik word er ook nog eens goed voor betaald. Het zou dus al een héél goed aanbod moeten zijn. En trouwens, eigenlijk moet je de wereld veroveren als je 30 bent en ik ben er intussen 52. Let op, het heilige vuur brandt nog hoor, maar dan vooral in Vlaanderen. Kort en goed: ik ben liever een grote vis in een kleine vijver, dan een kleine vis in een grote vijver.’

Een grote vis, maar ook een hoge boom die veel wind vangt. Je was boos toen Het Vonnis niet werd geprogrammeerd op het filmfestival van Gent.

Jan Verheyen: ‘Goh, filmfestivals zijn eigenlijk vooral bezigheidstherapie, zowel voor de organisatoren als de bezoekers. Het blijft goede promotie voor films – soms, want tegenwoordig wint iedereen ergens wel iets -, maar ze glijden steeds meer af naar de status van ‘parallel universum’. Het feit dat men vandaag spreekt over ‘typische festivalfilms’, zegt genoeg – films die je alleen kan zien in kleine, bedompte zalen in godvergeten stadjes, met als enige publiek de tien lokale Patrick Duynslaeghers. Zo worden filmfestivals ook een beetje incestueus.’

De naam is gevallen: Patrick Duynslaegher.

Jan Verheyen: ‘Ik vind die mens dermate quantité négligable dat ik het teveel eer vind om hier over hem uit te weiden. Dat is het typevoorbeeld van iemand die zich in dat parallelle universum bevindt. Maar ik heb geen last van hem, omdat ik er geen deel van uitmaak en dat vooral zo wil houden.’

Jij associeert veel publiek met kwaliteit, en Duynslaegher doet het omgekeerde?

Jan Verheyen: ‘Dat moet ik nuanceren: heel veel bezoekers betekent niet per definitie dat je film goed is. Maar waar ik mij altijd met hand en tand tegen zal verzetten, is de al even dwaze perceptie dat als niemand komt kijken, de film dan automatisch een miskend meesterwerk is. Iets waar de makers en zogenaamde kenners zich graag mee troosten. Ik zie soms films waarvan ik denk: ze hadden de maker beter gewoon 5000 euro gegeven om in therapie te gaan’

 

Photographer

 

Wanneer is een film voor jou eigenlijk te arty-farty? Je verdeelde Wild at Heart, die je toch bezwaarlijk mainstream kan noemen?

Jan Verheyen: ‘Ik vind die film helemaal niet arty-farty! David Lynch is pas daarna volstrekt onbekijkbaar geworden. Kijk, mijn alarm gaat af als ik in een recensie bepaalde woorden tegenkom. Zodra ik ‘hermetisch’ of ‘eigenzinnig’ lees, weet ik genoeg en loop ik gillend weg in de tegenovergestelde richting. De interessantste films bevinden zich op het snijpunt van artistiek en commercieel. In Vlaanderen denk ik dan onmiddellijk aan The Broken Circle Beakdown, Rundskop en De Helaasheid der Dingen. Films met een stempel die toch voor een breed publiek zijn gemaakt. Kijk, iedereen mag voor mij een hobby hebben, en als dat het maken van hermetische films is als therapie voor een gekwelde jeugd: fine. Maar dan moet je niet verwachten dat de gemeenschap die ook nog eens gaat financieren. Ik heb daar echt een probleem mee. Filmmakers hebben een verantwoordelijkheid, vind ik, want ze werken met publieke middelen.’

Het Vonnis was een publieksfilms én je won er de regieprijs mee op het filmfestival van Montréal. Dat moet deugd hebben gedaan.

Jan Verheyen: ‘Ik vond het vooral een heel moeilijke spagaat: iedereen weet hoe ik over filmfestivals denk, en dan moet je toch gaan meedraaien in dat circus om je film te promoten. Ik ben de eerste om de relativiteit van filmprijzen en erkenningen te zien, dus om dan op een vliegtuig naar Canada te springen om die in ontvangst te nemen – aan die evenwichtsoefening ben ik nog niet helemaal uit. Anderzijds past het weer mooi in het enige dat ik altijd consequent heb gedaan: me niet in een vakje laten stoppen. Ik wil nergens bijhoren: niet bij het Humo-publiek, niet bij Het Laatste Nieuws-publiek. Mijn streefdoel in mijn leven is eigenlijk altijd geweest om nergens bij te horen en op die manier overal bij te horen. En het aantal mensen dat daar zenuwachtig van wordt is véél kleiner dan het aantal mensen dat ik op die manier bereik. Dat ik daar mensen zenuwachtig van maak, vind ik zelfs een fijn bijverschijnsel.’

Je lokt dat ook wel graag uit, nee?

Jan Verheyen: ‘Ik geef toe dat het soms sterker dan mezelf is, maar het is wel al beter dan vroeger. De scherpe kantjes zijn er wat afgevijld. Ik weet nu dat ik niet altijd en overal mijn mening moet verkondigen, hoe gefundeerd die ook mag zijn. Hoewel ik mezelf dan ook weer laf vind.’

Van critici moet je ook niet veel hebben. Je noemde ze al ‘vooringenomen windbuilen’.

Jan Verheyen: ‘En dan heb ik mezelf nog gecensureerd. Let op, ik scheer ze niet allemaal over de dezelfde kam hoor, maar ik heb nog nooit in een recensie over één van mijn films iets gelezen waarvan ik dacht, ‘tiens, die recensent heeft een punt’. Werkelijk nooit. Maar je kunt critici dat ook niet kwalijk nemen: uiteindelijk moeten ze iets beoordelen waar geen objectieve criteria voor bestaan. Film is een subjectief gegeven. Daarom gaan veel recensenten hun eigen smaak als norm gebruiken, om zo hun eigen overbodigheid te maskeren. Ze doen maar. Wat ik echter veel erger vind, is dat ze zich gaan opwerpen als moreel kompas, door de inhoud te gaan beoordelen en bijvoorbeeld American Sniper als een ‘foute film’ neer te zetten. Het laatste wat ik nodig heb, is het morele kompas van de brave jongen die voor de Metro schrijft. Nee, dank u.’

Je jaagt critici ook graag op stang, bijvoorbeeld door 2001: A Space Oddyssey een slechte film te noemen.

Jan Verheyen: ‘Slecht en goed zijn bij het beoordelen van films zeer subjectieve criteria, zei ik al, maar sommige films zijn nu eenmaal kinderen van hun tijd. ‘2001’ is een absoluut een, klassieker maar die film is vandaag toch niet meer uit te zitten ? – en dat hoeft geen tegenstelling te zijn. Toen die uitkwam in 1968, ging iedereen bij wijze van spreken met een toeter in zijn bek gaan kijken, en dat moet een fantastische ervaring geweest zijn. Maar nu? Geen doorkomen aan. Ik heb die film eens geprogrammeerd in mijn programma Cult Night op Kanaal 2. Achteraf kreeg ik de grafieken van de kijkcijfers. Dat was de spectaculairste daling in de acht jaar dat ik dat programma presenteerde: ik denk dat er 80.000 zijn beginnen kijken en dat we geëindigd zijn met 10.000. Wat niet wegneemt dat ik erken dat die film destijds een enorme impact heeft gehad. Maar nu: no way.’

Maar wat zou je dan zelf verkiezen: de ultieme box office hit maken of een meesterwerk met eeuwigheidswaarde?

Jan Verheyen: ‘Het één sluit het ander toch niet uit? Alle grote klassiekers zijn, op een paar uitzonderingen na, films die een heel breed publiek hebben aangetrokken.’

Is het jouw ambitie om ooit Loft, de meest succesvolle Belgische film ooit, van de eerste plaats te stoten?

Jan Verheyen: ‘Moeilijke vraag. Kijk, ik heb altijd voor een publiek gewerkt, omdat ik dat mijn verantwoordelijkheid vind. Maar elke film is anders als het op publiek aankomt. Los, mijn film die onder andere over euthanasie en de multiculturele samenleving ging, daarvan wist ik dat er geen horden bezoekers op zouden afkomen. Maar ik heb die zo gemaakt dat er toch 100.000 mensen zijn opgedaagd. Mijn film daarna, Dossier K, die moest dan weer heel goed scoren, wilde ik niet te zwaar teleurgesteld zijn. Had die maar 100.000 man weten te lokken, dan zou ik dat als zeer pijnlijk hebben ervaren. Elke film heeft dus zijn benedengrens, waaronder het eigenlijk geen zin of relevantie heeft om die film te maken.’

FC De Kampioenen: Jubilee General lokte 675.000 bezoekers, iets minder dan de eerste film.

Jan Verheyen: ‘Ik wilde in elk geval niet de geschiedenis ingaan als de man die De Kampioenen naar de kloten heeft geholpen (lacht). Mijn doel was ten eerste om een betere film maken dan de vorige – visueel, verhaaltechnisch, enzovoort. Zonder er al te veel aan te morrelen, want if it ain’t broke, don’t fix it.’

Met Oscar en DDT die meededen en in de eerste film ontbraken, had je dan niet verwacht beter dan de eerste film te scoren?

Jan Verheyen: ‘Tja, we hadden nu eenmaal de pech om te verschijnen in wat de moeder van alle bioscoopnajaren moet zijn geweest: er was de nieuwe James Bond, het Star Wars-fenomeen, Pixar kwam met iets groots. Er zijn dat najaar maar liefst vijf films geweest die meer dan 5 miljoen box office zijn gegaan. Dat was ongezien. En dan is het onvermijdelijk dat de staart er een beetje wordt afgebeten – daar hebben we dus een paar 10.000 bezoekers verloren. Maar het zou van héél veel ondankbaarheid getuigen als ik niet tevreden zou zijn met 675.000 verkochte tickets.’

Zijn we nu vertrokken voor een hele reeks sequels?

Jan Verheyen: ‘Dat denk ik niet. FC De Kampioenen is geen James Bond-franchise, waar je de hoofdrol regelmatig door een andere acteur kunt laten invullen. En je moet in dit geval dus rekening houden met de factor leeftijd. Maar: never say never dat er na de derde, die we nu aan het schrijven zijn, nog eentje komt. Want de acteurs hebben er weer zin in. De eerste film was een martelgang: problemen met het scenario, moeilijkheden met het scenario, enzovoort. Ze voelden zich dus weinig geroepen om een tweede te maken. Maar die ervaring is zo goed meegevallen dat er nu dus zelfs een derde komt.’

 

Photographer

 

Waarom heb je eigenlijk toegezegd om De Kampioenen te doen?

Jan Verheyen: ‘Simpel: omdat ik nog nooit comedy had gedaan. En in dit geval is het zelfs physical comedy, met veel stunts en actie. De kans om zoiets in België te kunnen draaien is héél klein. Bovendien is het een iconisch programma met iconische figuren. Stijn Coninx heeft met Urbanus gewerkt, Dominique Deruddere met Chris Van den Durpel en Robbe De Hert met Gaston & Leo. Ik wilde per se in dat rijtje. En alleen De Kampioenen hadden nog geen film.’

Maar biedt een zelfgeschreven rechtbankdrama als Het Vonnis niet veel meer voldoening dan een genreoefening als De Kampioenen?

Jan Verheyen: ‘Ik snap die vraag en ik vermoed dat het antwoord ‘ja’ moet zijn, maar het plezier dat ik heb tijdens het maken van Jubilee General rechtvaardigt voor mij het maken er van. Bovendien, nogmaals, had ik nog geen rasechte komedie gemaakt. En ik had na Het Vonnis en De Bunker ook gewoon zin in iets lichters. En nu komt er Het Tweede Gelaat, een lekker sombere maar tegelijk spectaculaire film rond het duo Vyncke en Verstuyft, dan normaal gezien nieuwe Kampioenen-film en wellicht daarna terug iets ‘heavy’ en zelfgeschreven.’

Heb je een favoriete eigen film?

Jan Verheyen: ‘Voor mij is dat moeilijk, omdat elke film gepaard gaat met warme herinneringen – behalve The Little Death dan. Ik kan dat moeilijk van elkaar loskoppelen en de film op zichzelf beoordelen. Maar dit gezegd zijnde zie ik natuurlijk ook wel dat Boys spectaculair gedateerd is en Team Spirit 2 nogal licht weegt, niet de ambitie heeft van de eerste Team Spirit. Maar al mijn andere films zal ik verdedigen als het nodig is. Alles Moet Weg vind ik nog steeds sterk, en ik blijf heel tevreden over de eerste Team Spirit-film. Dossier K vind ik technisch heel hoogstaand – die kan gerust naast heel wat Amerikaanse producties staan, hoewel hij met amper een tiende van dat budget is gedraaid. En onlangs heb ik met mijn dochter naar Buitenspel gekeken en hebben we allebei gebleit. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik dat toch een wat bevreemdende ervaring vond.’

Hoe ervaar je als collega-regisseur eigenlijk het genadeloos floppen van The Loft in Amerika?

Jan Verheyen: ‘Ik was eigenlijk meer verrast door de vijandigheid waarmee die film is onthaald – ik had dat echt niet zien aankomen. Want als ik The Loft zie, zie ik een heel competent gemaakte genrefilm die er in alle opzichten uitziet als een Amerikaanse mainstreamfilm. Dus ik snap niet waarom gereputeerde bladen als Variety er zo tegen te keer gingen. Dat hij ook nog eens is geflopt, was meer voorspelbaar: door de getroebleerde voorgeschiedenis begon ook het publiek, dat daar blijkbaar een zesde zintuig voor heeft, te vermoeden dat er een geurtje aan hing. Maar dat hij zo slecht zou scoren, had ik niet gedacht. Nu, het is toch een enorme verdienste dat een film die in Vlaanderen is ontkiemd uiteindelijk in 2500 Amerikaanse zalen heeft gespeeld. Een prestatie zonder weerga.’

Je hebt succesvolle Vlaamse films gemaakt. Je bent op promotournee geweest met Rowan Atkinson en The Spice Girls. Je wist Robert Altman en Dennis Hopper naar Knokke-Heist te halen voor je filmfestival. Je hebt als programmadirecteur bij VTM de faits Divers-films in het leven geroepen. Je hebt tv- en radioprogramma’s gepresenteerd, boeken geschreven, je geeft lezingen …

Jan Verheyen: ‘Ik sta nu eenmaal gulzig in het leven.’

Zeg je soms ook ‘nee’ tegen een aanbod?

Jan Verheyen: ‘Natuurlijk. Voor dansprogramma’s moeten ze mij niet vragen, want ik haat dansen. En van Expeditie Robinson heb ik alles gezien, maar vraag mij niet om zelf op zo’n eiland te gaan zitten, want ik zal koud hebben, honger, ik zal beginnen zagen, enzovoort. Nee, ik wil de garantie, als je dat zo kunt noemen, dat ik me zal amuseren. En als zo’n programma dan flopt of slechte kritieken krijgt, zoals De Waarzeggers, dan is het niet eens mijn verantwoordelijkheid, want ik heb het niet gemaakt. Wat meer is: de mensen die dat programma haten hebben mij sowieso al niet graag, dus op die manier erger ik ze nog meer, en dat beschouw ik als winst.’

Maar is er nog iets dat je wil realiseren? Een toneelstuk regisseren bijvoorbeeld?

Jan Verheyen: ‘Ik heb een schuif met wilde ideeën, en dat zit daar ook in, ja. Maar dat zal nog niet voor meteen zijn. Weet je, als ze mij bellen met eindejaarsenquêtes en ze vragen wat ik mezelf toewens, antwoord ik altijd: nog vele jaren meer van hetzelfde. Ik doe gewoon alleen wat ik graag doe. Kijk, er zijn twee momenten in het jaar waarop ik stiekem een klein vreugdedansje doe: de eerste keer op 1 september, omdat ik niet meer naar school moet, en de tweede keer op de openingsdag van het filmfestival van Cannes, omdat ik daar niet meer naar toe moet. Want de eerste keer kijk je misschien je ogen uit, maar op den duur heb je al die mechaniekjes daar ook door en wordt dat een verplicht nummertje. Na 15 jaar haatte ik het daar, en mag het een wonder heten dat ik nooit een mep heb uitgedeeld aan zo’n arrogante Franse klootzak. Heerlijk dat ik ook dat achter mij heb kunnen laten.’

Zie je jezelf Clint Eastwood-gewijs films draaien tot je 85e?

Jan Verheyen: ‘Nee. In dit land bestaat namelijk de niet zo aangename traditie dat regisseurs die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, genadeloos worden afgeschreven. Dit vanuit de mentaliteit van de jongere generatie die roept: aan de kant, ’t is aan ons. De eerlijkheid gebiedt mij natuurlijk te zeggen dat ik dat als 20-jarige ook riep, maar niettemin vind ik dat de generatie voor mij – Robbe De Hert, Harry Kumel … – niet correct is behandeld. Als je ziet op welke leeftijd die hun laatste film hebben gedraaid, daar word ik als 52-jarige niet vrolijk van hoor. (denkt even na) Ken je dat spelletje op de kermis in het lunapark, waar je munten moet ingooien, in de hoop dat de hoop munten beneden opschuift naar die put? Wel, ik voel dat mijn generatie filmmakers – Stijn Coninx, Frank Van Passel, Erik Van Looy – stilaan de rand van dat ravijn nadert, terwijl er bovenaan steeds meer munten in worden gegooid. Ik zal geen tien films meer draaien, daar ben ik me goed genoeg van bewust.”

Wat mogen we op jouw grafsteen schrijven?

Jan Verheyen: ‘Ik heb ter voorbereiding enkele andere Intervista-interviews gelezen en ik wist dus dat die slotvraag eraan kwam. Maar ik weet nog altijd niet wat ik er in godsnaam op moet antwoorden (lacht).’

 

Foto’s door James Arthur.

Pin It on Pinterest