Falen kon niet. Stefan Everts wilde zijn vader minstens evenaren. Dat is op zijn zachtst gezegd gelukt. Everts werd de beste motorcrosser aller tijden, maar niet zonder slag of stoot. ‘Mijn vader waardig opvolgen kon mij alleen maar harden.’ The Legend toont na vele tegenslagen ook zijn kwetsbaarheid. Everts zag de dood in de ogen na een gescheurde milt en nadien nogmaals na een malaria-aanval. Hij kan het kaderen. ‘Alles gebeurt met een reden.’

Tien wereldtitels en 101 GP’s: het palmares van Stefan Everts oogt indrukwekkend. Niemand deed beter. Noem hem gerust een ─ gelukkig nog levende ─ legende. Thuis herbergt hij zijn carrière in een imposant motorcrossmuseum annex mancave. “Wij noemen het de stal”, licht Everts toe, verwijzend naar de naam van de bouwvergunning. Hij is een verzamelaar. “Ik houd van oude spullen”, legt de Lummenaar uit. Exemplarisch is de crossbroek van vader Harry ─ viervoudig wereldkampioen ─ uit begin jaren 80 die onlangs ergens in Zwitserland boven water is gekomen.

Motorcross zit de familie Everts in de genen: ook zoon Liam (16) heeft de passie te pakken. Om in eigen land te trainen is het helaas met een vergrootglas zoeken naar een circuit. Everts: “Buiten Lommel moeten we vaak naar Nederland of Noord-Frankrijk. In de winter gaan we naar Spanje, waar veel circuits liggen binnen een omtrek van 50 kilometer. Vroeger lag ook bij ons in quasi ieder bos een crossparcours, maar geleidelijk is bijna alles verdwenen. Wij motorcrossers zijn vervuilers en dus een heel zwakke tegenstander. Daar maken de groenen heftig gebruik van.”

In Neeroeteren ─ waar Everts opgroeide ─ pronkt zijn standbeeld, maar ook daar sloot de crossomloop nog geen jaar na zijn afscheid. Bovendien verdween, nadat de generatie Everts-Smets-Bervoets de motor aan de haak hing, ook de media-aandacht. In België heeft motorsport de bodem bereikt, betreurt Everts. “Nochtans tellen wij de meeste wereldtitels. Vijftig jaar lang kenden we kampioenen: van René Baeten in 1958 tot Steve Ramon in 2007. Geen enkele andere sport in België kan zoiets zeggen. Helaas ebt het respect weg.’ Tekenend is zijn gesprek in ‘de stal’ daags voor het interview met een door motorcross bezeten zeventiger. ‘We hebben veel nostalgie opgedaan. Hij zat hier met tranen in de ogen.’

Ook Everts zelf pinkt sinds zijn malariabeet eind 2019, waarover later meer, vaker een traantje weg. Na zijn bijna-doodervaring is hij emotioneler geworden. Al kende de vijfvoudig Sportman van het Jaar ook tijdens zijn carrière heel wat moeilijkheden. Op sportief vlak: onder meer een gescheurde milt die hem bijna het leven kostte (1992) en extra sportief: de scheiding van zijn ouders (1992), de strenge aanpak van zijn vader en de breuk met zijn manager Dave Grant die hem voor veel geld oplichtte (1997). Everts rechtte de rug en zette door. “Alles wat mij overkomen is, heeft me beter en sterker gemaakt. Het heeft mij gevormd tot een grote, gepassioneerde sportman.”

Je had een enorme prestatiedrang. Was je voorbereid op zoveel tegenslag?
Stefan Everts:
“Nee, ik dacht altijd aan succes in stijgende lijn. Ik wilde als de beste kunnen stoppen. In mijn laatste jaar reed ik met een nieuwe motor: hij zat als gegoten. Daarbovenop trainde ik nog een tandje hoger. Zo heb ik in mijn laatste seizoen veertien van de vijftien GP’s gewonnen, waaronder mijn afscheidsrace.”

Je kreeg de toepasselijke bijnaam ‘The Legend’. Wie bedacht hem?
“Jürgen Schrooten, de auteur van mijn biografie en motorcrossjournalist van Het Belang van Limburg introduceerde hem. Zelf zou ik mij nooit ‘The Legend’ noemen. Onder vrienden heb ik altijd ‘S72’ gebruikt als nickname: de ‘S’ van Stefan en ‘72’ verwijzend naar mijn rugnummer. (‘S72’ is nu ook Everts eigen ginmerk, S.C.) Sommigen noemen me ‘champ’ en vroeger werd ook vaak ‘Sukahoya’ gebruikt als afkorting van Suzuki, Kawasaki, Honda en Yamahonda, omdat ik de enige crosser ben die met alle vier Japanse merken titels heeft gewonnen. ‘The Legend’ blijft alleszins de meest gebruikte bijnaam.”

Na je hoeveelste wereldtitel werd je zo genoemd?
“Na mijn achtste pas. Na mijn vierde titel in 1997 kende ik een heel moeilijke periode met blessures en andere problemen. (Zijn vijfde wereldtitel volgde pas in 2001, S.C.) Uiteindelijk keerde ik terug naar de top en geleidelijk ontstond een grotere status met ‘The Legend’ als bijnaam.”

Je werd heel jong al wereldkampioen: op je achttiende, in 1991.
“Toen ik over de meet reed, stelde ik mij letterlijk de vraag: is dít het dan? Later werd de voldoening veel groter. Na enkele moeilijke jaren moest ik knokken om terug aan de top te staan en voelde ik veel meer vreugde. Bovendien viel na enkele titels de stress om te presteren weg. Voor veel sporters is presteren onder druk een heel groot probleem.”

 

 

SLECHTE START

Waardoor lukte dat bij jou wel?
“In het begin voelde ik veel druk vanuit mezelf. Mijn vader was viervoudig wereldkampioen en ik wilde op zijn minst even goed doen. Dat kon ik niet van mij afzetten. Pas toen de laatste jaren de druk van mij afgleed, reed ik op mijn best. Na mijn zesde titel kwam ik helemaal los. Zonder zenuwen lukte alles vanzelf, maar ik heb het lang moeilijk gehad om in alles de perfecte balans te vinden. Pas na tien jaar GP-ervaring kon ik de motor perfect beheersen en was ik helemaal vertrokken. (Everts won in de periode 2001-2006 zes WK’s op rij, S.C.)

“Ik heb een hoofd van steen”, zei je als jongeling. Niemand kon je klein krijgen. Hoe stond je mentaal al zo sterk?
“Ik had een duidelijk doel: beter doen dan mijn vader. Dat zette me aan om alle moeilijke obstakels te overwinnen, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Op den duur werd het een verslaving om me af te beulen op training.”

In het begin van je carrière, vooral in 1993, kwam je geregeld slecht uit de startblokken. Daarvoor raadpleegde je een psycholoog. Hielp hij bij je start?
“In 1991 kreeg ik al een beetje begeleiding. De twee daaropvolgende seizoenen nam dat fors toe. Men trok mij in twijfel. Sylvain Geboers, mijn toenmalige teammanager bij Suzuki, vond dat ik niet kon starten. Op dat moment wist ik niet beter en begon ik aan mezelf te twijfelen. Tevergeefs oefende ik nog meer op mijn start. Ook de psychologische begeleiding hielp niet. In 1992 scheurde ik mijn milt en in het seizoen 1993 werd ik vicewereldkampioen. Na dat seizoen stapte ik over naar Kawasaki. Met een andere motor lukten mijn starts wél. In 1995 won ik mijn tweede titel.”

Je zou jezelf nooit ‘The Legend’ noemen, zei je net. Maar er was wel een punt in je carrière dat je arrogant overkwam. In 1998 bracht je zelfs een nummer uit: ‘I Am The Best, Try To Beat Me’ klonk het.
“Ik was jong, vol zelfvertrouwen en zat aan de top van mijn carrière. Als muziekliefhebber leek een eigen nummer me leuk. Bovendien kwam net die Schumacher-plaat uit. In die context namen we dat liedje op. Maar net in dat jaar verlies ik de wereldtitel van Sébastien Tortelli. Er kwam toen heel wat commentaar. (grijnst) Vandaag ben ik nog steeds recordhouder; ‘I Am The Best’ is dus wel nog passend.”

Ook kleurde je je haren. Hoe ging je entourage met zulke zaken om?
“Vooral mijn ouders, zeker mijn vader, waren daar niet mee opgezet. In een bepaalde periode moesten mijn wilde haren eruit. Ik belandde vervolgens weer met mijn beide voeten op de grond. In 1998 verloor ik in extremis de wereldtitel, in 1999 kreeg ik een zware knieblessure en in 2000 volgde een armblessure. Ook in mijn privéleven is er in die periode veel gebeurd. Toch ben ik blijven geloven dat ik terug aan de top zou geraken, mits ik alles rondom mij in orde kon krijgen. Op mijn achttiende zaten mijn ouders in volle scheiding, maar ik kon dat op mijn motor vlot van mij afzetten. Als dertiger kan zoiets niet meer. Onbewust beïnvloedden nevenzaken mijn prestaties. Toen mijn vrouw Kelly in mijn leven kwam, moest ze ervoor zorgen dat ik enkel hoefde te slapen, eten en trainen. Al de rest was voor haar rekening. Zo hebben we dat een aantal jaar geregeld. Niet toevallig waren het topjaren.”

 

 

THIBAU NYS

Toen je je partner leerde kennen zei ze al meteen dat je een dikke nek had. Haar commentaar liet je niet koud: je had er oren naar.
“Kelly was eerlijk en rechtuit tegenover mij, dat trok me aan. Ik houd niet van jaknikkers. Mijn vader was ook altijd kordaat. Dat was moeilijk om te verwerken, maar zijn harde kritiek heeft me het verste gebracht.”

Nu begeleid je op jouw beurt je zoon Liam in de crosswereld. Is jullie vader-zoonrelatie vergelijkbaar met de band tussen Sven en Thibau Nys?
“We hebben de twee seizoenen DNA Nys gevolgd en het gaat er ongeveer hetzelfde aan toe zoals ten huize Everts. Thibau heeft al redelijk wat gepresteerd. Tot nu toe heeft hij al zijn verwachtingen ingevuld, chapeau daarvoor. Toevallig was Thibau gisteren hier. Vroeger wilde hij trouwens op een gegeven moment motorcrosser worden. Hij is ooit eens komen meerijden met Liam. Uiteindelijk koos hij voor het veldrijden: de juiste beslissing, lijkt mij.”

Je lijkt mij wel harder voor Liam dan Sven Nys voor Thibau.
“Misschien. Sven lacht eerder iets weg, terwijl ik strenger ben. Ik ben me ervan bewust dat motorsport enorm gevaarlijk is. Vroeger stond ik daar helemaal niet bij stil, nu veel meer. Ongevallen in de crosswereld komen mede door sociale media meer in het nieuws. Af en toe geraakt een crosser verlamd en dat zet je aan het denken. Ik push Liam, maar laat hem niet over zijn limiet gaan zodat er niets ernstigs gebeurt. Soms is het moeilijk om de juiste grens te vinden.”

“Jij wordt nóóit wereldkampioen”, zei je vader vroeger. Hij kon heel kloek zijn. Stimuleerde je dat?
“Dat is een enorme drijfveer geweest. Ik zat toen in mijn beginperiode waarin ik moest leren afzien. Soms wilde ik sneller opgeven. Zijn opmerking raakte bij mij een gevoelige snaar. Ik geraakte gebrand om het tegendeel te bewijzen. Soms is een stevige prikkel nodig. Als ik Liam uit zijn kot kan lokken, doe ik dat. Er is soms discussie met Kelly of ik mijn boodschap niet anders kan brengen, maar uiteindelijk gaan zijn prestaties erop vooruit.”

 

 

MALARIA

Al in het begin van je carrière scheurde jij je milt. Tekent dat je leven?
“Meteen na het ongeval was het even schrikken. Tegelijk stond ik er op mijn twintigste niet echt bij stil. Ik dacht meteen aan de volgende crossen, maar mijn milt werd weggenomen. Het blijft me achtervolgen. Op de plek van mijn milt werden mijn buikspieren opengesneden. Ze zijn nooit meer teruggekomen. Ik blijf een zwakke kant hebben.”

Hoe gaat het intussen met jou na je malariabesmetting die je eind 2018 opliep tijdens een benefietrace in Congo?
“2019 is een extreem moeilijk jaar geweest met veel operaties. Intussen gaat het beter, maar het is nog niet opgelost. Onlangs onderging ik enkele kleinere operaties. Er zal nog minstens één jaar bijkomen vooraleer het definitief achter de rug is. De pijn is nog niet helemaal weg. Het gaat met ups and downs. Vooral aan mijn hielen heb ik nog last, omdat de wonden niet dicht geraken. Aan mijn rechtervoet is alles geamputeerd. Waar mijn dikke teen zat, zit nog een infectie. Daarvoor neem ik antibiotica en sinds ik het ziekenhuis op 31 december 2018 heb verlaten krijg ik nog iedere dag voetverzorging.”

Vind je het jammer dat je nu vooral hier aan wordt herinnerd in plaats van aan je carrière?
“Nee, momenteel heb ik daar geen probleem mee. Vooral vorig jaar kwam ik intensief in het nieuws. Intussen gaat het al een stuk beter. Het zal wel opgelost raken, maar het heeft tijd nodig.”

Hoeveel wereldtitels zou je willen inruilen voor je tenen?
“Da’s een heel moeilijke vraag… Die heeft nog nooit iemand mij gesteld. Ik zou eigenlijk geen enkele titel willen inruilen. Ik zou wel iets willen ruilen om één dag eerder in het ziekenhuis bloed te laten trekken, want dan was het nooit zo ver gekomen. Het heeft maar een paar uur gescheeld of ik zat hier gewoon zoals vroeger.”

“Ergens ben ik dom geweest om niet eerder de link te leggen tussen Congo en malaria. Ik dacht er wel aan, maar er is mij gezegd geweest dat ik niets hoefde te nemen. Na de terugreis voelde ik me ziek, een zware griep dacht ik, al draaide dat anders uit… De malaria op zich was vrij snel onder controle. Maar ik heb het veel te ver laten gaan. De parasieten in mijn bloed begonnen mijn organen aan te tasten, waardoor het een kwestie van leven of dood werd.”

Denk je dat alles met een reden gebeurt?
“Ja, maar in dit geval heb ik er het raden naar. Mét een reden kan ik het beter een plaats geven.”

Je bent een grote muziekliefhebber. Welk nummer past het beste bij jouw leven?
“Ik heb niet echt één lijfnummer. Ik ben in alle genres thuis. Ook onder crossers heerst niet één bepaald muziekgenre.”

Zijn er bepaalde songteksten die als crosser geregeld door je hoofd gingen?
“Naar bepaalde nummers luisterde ik meer dan andere, ook omdat sommige teksten me een mentale training gaven. Zoals ‘I am the biggest, the best, better than the rest’ uit ‘Biggest & The Best’ van Clawfinger, een Scandinavische rapcoreband. Ook al geloof je het niet meteen, als je de tekst blijft herhalen, versterkt het je zelfvertrouwen. Zo beluisterde ik gelijkaardige platen die me een extra boost gaven.”

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
“Een kei van een sportman, open en eerlijk. Of ik vaak aan de dood denk? De laatste jaren ben ik er meer mee bezig, omdat we ontzettend snel oud worden. Vroeger had ik veel meer angst om te sterven. Sinds mijn coma schrikt de dood me minder af. Ik ben mogen terugkomen.”

 

Foto’s © door James Arthur Photography.

Pin It on Pinterest